Help het hbo verzuipt (en Truijens helpt een handje mee)


Ministerie van O&W, Den Haag

Aleid Truijens wist (weer eens) te vertellen dat het hbo niet deugt (Volkskrant, 16 mei 2012). Daarbij hanteerde ze de ‘cherry picking’-strategie: ze vermeldde alleen die gegeven die haar handig uitkwamen. Dat een van de enquête, waarop zij zich baseert, manco’s vertoont, wordt op de koop toe genomen.

Truijens: “Het Onderwijsverslag 2010-2011 van de inspectie meldt weinig positiefs over het hbo, dat volgens de imagogevoelige bestuurders keihard werkt aan verbetering. Van de studenten noemt slechts de helft de studie 'stimulerend', een derde vindt de opleiding 'niet uitdagend', bijna de helft denkt dat de opleiding geen goede basis biedt voor de arbeidsmarkt. Als dit het oordeel is van de niet al te ambitieuze Nederlandse hbo'er, de zesjeskoning, dan is dat schokkend.”
10 procent van de hbo’ers is ontevreden over de opleiding, aldus het inspectierapport. Dat gegeven is kennelijk niet interessant. Uit een ander onderzoek blijkt dat hbo-studenten over de hele linie wat negatiever zijn over zaken die direct, maar ook indirect in verband staan met hun studie. Zo waarderen zij de sportfaciliteiten lager dan hun medestudenten die op de universiteit. Het gaat dan om exact dezelfde faciliteiten met hetzelfde prijskaartje. Ook het uitgaansleven in de universiteitssteden wordt minder beoordeeld. Opvallend is dat dit soort gegevens uit die enquête nooit wordt meegenomen in de bespreking van de resultaten. Nuances bekken nu eenmaal niet lekker.
Truijens vermeldt evenmin dat de spreiding groot is: de tevredenheid van studenten varieert van 42 tot 93 procent.

Truijens: “Genadezesjes worden nog altijd grif uitgedeeld in het hbo, al dan niet onder druk van het management. Uit een 'Kwaliteitsenquête hbo', uitgevoerd door Het onderwijsblad samen met de NOS, blijkt dat 23 procent van de hbo-docenten ooit onder druk is gezet om een positieve beoordeling te geven. De helft gaf toe aan die druk.”
De vraag uit de enquête luidde: “Ik ben wel eens onder druk gezet om een positieve beoordeling te geven”. Wat is ‘wel eens’? Eens paar maand, eens per jaar, eens in de loopbaan? En wat is ‘onder druk zetten’? Een manco van deze enquête, maar Truijens heeft alleen oog voor de kwaliteit van het hbo.

Truijens: “Het zijn de docenten die boeten voor de angst van bestuurders voor nieuwe affaires. Ze worden bedolven onder de formulieren; álles moet voortaan worden verantwoord, waardoor de docent vele uren kwijt is aan de administratie. Daardoor is volgens 70 procent van de ondervraagden de werkdruk toegenomen en gaat er nog minder tijd naar het onderwijs.”
In de enquête staat die laatste toevoeging (‘minder tijd naar het onderwijs’) helemaal niet vermeld. Die heeft Truijens er aan toegevoegd. En om deze vraag te interpreteren, moet die in samenhang worden gelezen met de vraag of de werkdruk te groot. 56% vindt, zo bleek uit het onderzoek, die werkdruk hanteerbaar.

Truijens: “Externe normen voor toetsing helaas alleen mogelijk met centrale examens, om te beginnen in de kernvakken. Het is een paardenmiddel, het hoger onderwijs onwaardig, en vervelend voor de hogescholen die wél goed presteren, maar in de huidige structuur is er niets dat kwaliteit afdwingt.”
Als docenten iets aangeven dat Truijens van pas komt, wordt dat gegeven grif overgenomen. Als docenten iets aangeven dat Truijens niet van pas komt, wordt dat gegeven genegeerd. Dan zijn de docenten ineens geen bron van expertise meer. Slechts 18% geeft aan dat centrale examens en eindkwalificaties het werk hun stuk zou vergemakkelijken. Los van het feit dat in dit item twee gegevens tegelijkertijd werden opgenomen (slechte vraag, dus), is de vraag gerechtvaardigd waarom de docenten nu ineens niet meer over een expertise beschikbaar. Als 23% van de docenten zegt dat de kwaliteit in het hbo slechter is geworden, is dat niet interessant.

Conclusie: een klassiek geval van ‘cherry picking’.


Joosten als kruisridder (2)

Foto: Prof. dr. J. Joosten


In de Volkskrant (12 mei 2012) mocht Maarten Doorman uitleggen waarom Joostens boek en vooral Joosten zelf niet deugt. Het stuk begon veel belovend: “Het heet wel eens de drogreden van de stroman: je maakt een karikatuur van iemand anders redenering zodat je hem daarna in één beweging kunt afserveren. Die drogreden lijkt op het ad hominem argument, waarbij je op de man speelt in plaats van op de bal. Het zijn de favoriete wapens van Jos Joosten bij zijn kruistocht in Staande receptie, een boek over literaire kritiek. Zijn slachtoffers zijn drie vrouwen: Renate Dorrestein, Connie Palmen en Elsbeth Etty.” Even kreeg ik de indruk dat er sprake was van een echt inhoudelijk stuk, maar al gauw werd duidelijk dat dit een ‘Stine Jensen II’-exercitie zou worden.
“De Nijmeegse hoogleraar beschrijft zijn eigen aanpak zonder valse bescheidenheid als een serieuze, literair-wetenschappelijke benadering”. In de ogen van Doorman mag je dan niet, zoals Joosten doet, woorden als ‘totale onzin’ of ‘grieperige’ stijl gebruiken. Ook kwalificaties als ‘natuurlijk een beetje dom’ of ‘kwaadwillend of definitief geestelijk van het paadje geraakt’. Dat is een onjuist verwijt. Als Joosten niet verder komt dat deze kwalificaties, dus als de kritiek uitsluitend uit deze termen bestaan, dan heeft Doorman een punt. Maar Joosten levert wel degelijk op inhoudelijke gronden kritiek.
Elsbeth Etty is volgens Doorman “een slachtoffer van Joostens toorn”. Waarom is Etty eigenlijk een slachtoffer? Met een woord als ‘slachtoffer’ kan men eenvoudig een zieligheidsargument, een argumentum ad misericordiam, construeren, waarbij het slachtoffer onschuldig is. Maar is Etty onschuldig? Ze heeft in een boekje twee alinea’s overgeschreven zonder bronvermelding en ze gaat volgens Joosten slordig om met feiten. Als dat niet het geval is, dan kan Doorman dat aantonen (met tegenvoorbeelden). Maar Doorman komt niet verder dan het wijzen op het slachtofferschap van Etty.
“Gaat het Joosten om het vereffenen van een rekening, om karaktermoord, polemiek of nog steeds om serieus literair-wetenschappelijk onderzoek?” En wat wilde Joosten aan de kaak stellen met het door hem ontdekte plagiaat, zo vraagt Doorman zich af. Nou, het antwoord op die laatste vraag is vrij simpel: het aan de kaak stellen dat Etty plagiaat pleegde. Maar voor Doorman is dat te simpel. Hij ontpopt zich als een vaardig amateur-psycholoog en probeert de diepere lagen van Joostens existentie te doorgronden. Wordt hier “een rekening vereffend”? Of was er sprake van “karaktermoord”? Of van een “polemiek”? Of toch van serieus onderzoek? De vraagtekentoets van Doormans toetsenbord blijft hier haperen en dat is altijd handig. Dat Doorman alleen maar vragen stelt, klinkt namelijk heel bescheiden, maar het is feitelijk niet meer dan een opzichte manier om de bewijslast te ontduiken. Stine Jensen deed het hem een dag eerder voor.
“Wetenschappelijk wordt zijn betoog zelden”, weet Doorman. “Joostens boek (…) bevat nogal wat (staat tjokvol met) onnauwkeurigheden en verdraaiingen die de hoge toon waarop hij anderen de les leest kolderiek maken”. In deze passage komt Doorman zowaar met enig bewijs: “Zo verwijst hij (Joosten, RR) naar ‘een onderzoek uit 2008’ onder abonnees van de Volkskrant en NRC Handelsblad en geeft keurig een noot aan het eind van de zin. Wie deze noot 15 echter opzoekt, treft geen bronvermelding aan, maar wordt verwezen naar noot 21 van hoofdstuk 5, om daar de opmerking te vinden dat er niet ‘veel concreet cijfermateriaal is [. . .] omtrent aandacht van krantenlezers voor specifiek de boekenbijlages’.” Tja, zo’n boek kan natuurlijk nooit wetenschappelijk van aard zijn.
“Joostens verlangen naar ‘doorslaggevende bewijzen op basis waarvan [iets] objectief gesteld kan worden’ is naïef, zijn redeneringen zijn onhelder en omslachtig.” Over de onderbouwing van deze kritiek kunnen we heel kort zijn: die is gewoon afwezig. “Veel recente discussies over kritiek zijn aan hem voorbijgegaan, zoals het overal besproken The Death of the Critic van Rónán McDonald, dat Joostens benadering van literatuur aanvalt.” Moet dat dan per se in dit boek? Heeft Joosten de pretentie om dat allemaal te bespreken en verzuimt hij vervolgens die pretentie waar te maken? Nee, maar voor Doorman zijn deze vragen allemaal volstrekt overbodig: ‘niet genoemd, niet bekend’. Maar omdat Joosten die pretentie helemaal niet heeft, zou ik zeggen: ‘geen lijk, geen zaak’.
Als Joosten zijn eigen promovendus Jeroen Dera citeert, dan heet het “wie zich op die manier lof toezwaait, maakt een karikatuur van zichzelf. En academisch of wetenschappelijk zou ik zijn werk niet snel noemen”. Weer een sneer en weer zonder ook maar één steekhoudend argument.
Joostens boek krijgt 1 ster van Doorman. Maar, zoals een hoogleraar filosofie ooit schreef, ‘kritiek is meer dan sterretjes’. Inderdaad, het heeft te maken met deugdelijk argumenteren.

Joosten als onredelijke vrouwenhater (1)


“Hoogleraar letterkunde Jos Joosten beschuldigde niet alleen Elsbeth Etty van onzorgvuldig brongebruik, maar gaf ook vier andere vrouwen ervan langs. De vraag dringt zich op of Joosten niet gewoon een onredelijke vrouwenhater is, schrijft Stine Jensen.” Met deze lead opende de filosofe en docent literatuurwetenschap (VU) in het NRC (11 mei 2012) haar aanval op haar Nijmeegse vakgenoot. Haar argumentatie is, op z’n zachts gezegd, wat wonderlijk.
Na een opsomming van Joostens kritiek op Etty, Palmen, Dorrestein, Smit en Slot, vraagt Jensen zich af of het toeval is dat het allemaal vrouwen zijn. “Wie weet”, is haar antwoord.
De vraag of Joostens kritiek terecht is, lijkt me in dit verband belangrijk. Die vraag wordt door Jensen niet gesteld, laat staan beantwoord. Ze weet alleen op te merken dat Joosten Dorrestein en Palmen verwijt niet-wetenschappelijk te zijn, hoewel beide schrijfster die pretentie niet hebben. Dat is eigenlijk het enige inhoudelijke punt dat Jensen in haar stuk maakt. Maar aangezien Palmen zegt “de academische ernst niet schuwen”, zou Jensen moeten aangeven dat die ‘ernst’ niet gelijkgeschakeld mag worden met ‘academische pretentie’. Eis er inhoudelijks helemaal niets te zeggen over Joostens kritiek. Doorman diskwalificeerde Joosten boek een dag later in De Volkskrant, maar niet zonder op te merken dat Palmens pleidooi voor hogere literatuur inderdaad “wat naïef” was. Joostens verwijt dat Dorrestein andermans woorden onvolledig weergeeft, noemt Doorman terecht. Maar Jensen wenst niet op de inhoud in te gaan.
Jensen gooit het over een andere boeg: Joosten wil over de rug van Etty en de andere schrijfsters zijn wetenschappelijke status oppompen. Kortom, een ad hominem-argument.
In Joostens boek, zo merkt Jensen verder op, ontbreekt een eigen wetenschappelijk programma. Dat is dan meteen de volgende drogreden: zelfs al heeft Joosten niet zo’n programma, dan is daarmee zijn kritiek op Palmen en Dorrestein niet ontkracht.
Joostens boek ‘Staande receptie’ is volgens Jensen de slechtste reclame die de literatuurwetenschap zich kan wensen. Argumenten, waarom dit zo is, ontbreken. Wel introduceert Jensen nog snel even een zieligheidsargument: de literatuurwetenschap ligt al zwaar onder vuur. Joosten moet kennelijk zijn mond houden.
Dit alles (en dat wil in dit verband zeggen: een reeks drogredenen) mondt uit in de beschuldiging van misogynie: er zijn opvallend veel overeenkomsten tussen Joosten en de definitie.  Los van het feit dat dit een categoriefout is (Jensen schakelt een mens gelijk aan een definitie), is het vaag taalgebruik: wat betekent “opvallend veel overeenkomsten”?
Consequent is Jensen wel, want ook haar laatste zin bevat een drogreden: “ik laat het graag aan anderen over om hem te beschuldigen van seksisme”. Hier ontkent ze wat zij degelijk in het hele stuk en de titel vooronderstelt, alle retorische vraagtekens ten spijt.

Dodenherdenking vs. Jodenherdenking

Jacobsladder
Formeel, zo stelde Ewoud Sanders onlangs in het NRC (4 mei 2012), “zit het zo: tijdens de dodenherdenking op 4 mei worden Nederlandse burgers en militairen herdacht die sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in oorlogssituaties en bij vredesoperaties zijn omgekomen of vermoord”. Maar informeel lijkt het steeds meer op dat Joodse splintergroepjes bepalen wat er tijdens de dodenherdenking precies mag gebeuren.
Als het aan Sanders had gelegen, had Auke de Leeuw zijn ontroerende gedicht voorgelezen op de Dam en had het gemeentebestuur in Vorden gerust bij de graven van die Duitse dienstplichtigen mogen stilstaan.
Waarom? “Omdat de dodenherdenking een nationale herdenking is, geen Jodenherdenking. Omdat het volgens mij onverstandig is om je generatieslang te blijven afficheren als slachtoffer en daar rechten aan te verbinden. In Joodse kringen wordt al gesproken over derdegeneratieslachtoffers. Krijgen die straks ook zeggenschap over de invulling van de dodenherdenking?”
“Maar los daarvan: één keer per jaar kort stilstaan bij daders die evident ook slachtoffers waren van hun tijd, beschouw ik als een teken van beschaving. De toenemende Joodse monopolisering van de dodenherdenking wekt wrevel op, merk ik om mij heen. De nationale ontwikkeling volgen en mededogen opbrengen voor sommige daders zou juist respect opleveren.”
Deze stellingname leverde een boze brief op van rabbijn Menno ten Brink (NRC, 9 mei 2012). “Wij worden weer gezien als monopoliserend kwaad”, beweert Ten Brink.
Sanders schrijft  volgens hem dat 4 mei een ‘nationale’ herdenking moet zijn en geen ‘Jodenherdenking’. Ten Brink: “Ik lees hierin dat Duitse militairen en een Nederlandse SS'ers kennelijk wel binnen onze herdenking passen, maar Nederlandse Joden niet. Voor hen bestaat een aparte herdenking, de Jom Hasjoa. Deze moeten Joden zelf organiseren. Wij worden weer gezien als monopoliserend kwaad, hoewel de anderen kennelijk wel mogen monopoliseren.”
Analyse. Ten Brink produceert in zijn stukje een stroman, want hij vertekent het standpunt van Sanders. Nergens stelt de laatste dat de Nederlandse Joden niet passen in de herdenking. Sanders betoogt dat die herdenking niet enkel voor joodse slachtoffers bedoeld is.
Daarnaast hanteert Ten Brink een argumentum misericordiam, waarbij een beroep wordt gedaan op medelijden wordt gedaan. Mei 2012, worden de joden weer “als monopoliserend kwaad” gezien, beweert Ten Brink. Maar Sanders is het niet eens met Ten Brink, en hanteert daarbij een aantal relevante argumenten. Op die argumenten gaat Ten Brink niet of nauwelijks in. Hij volstaat met een verwijzing naar het kwaad en daarmee is de –inhoudelijke – bespreking ook van tafel. 

Olympische Spelen in 2028?

Moet Nederland de Olympische Spelen in 2028 organiseren?
Op radio 1 (rond 30:00) kwam het verlossende antwoord: Ja. Forumgast Ton Boot: “de mensen die zich daar (o.m. de kosten) druk over maken, houden sowieso niet van sport en topsport.” Dit is een typisch ad hominemargument. Joop Alberda, eveneens in het programma aanwezig, beweerde dat politici denken dat ze allemaal verstand van sport hebben en ze willen wel een kaartje als het over is. Kortom, nog een ad hominemargument.
Alberda bracht een “ik geloof…”-argument in: hij gelooft niet dat de spelen 8 miljard kosten. Dat is een belachelijk bedrag, vindt hij, en economen kunnen dat helemaal niet voorspellen. Gelukkig kan Alberda (denkt hij) dat wel: de kosten zijn 25 euro p.p. en dat 20 jaar. Maar politici zijn uit op stemmenwinst en daarom zijn ze tegen. Kortom, alweer een ad hominemargument.
Henk Spaan, ook gast in het programma, ergert zich aan Tweede Kamer, en wist te melden dat de politici niet weten waarover ze praten als het over sport gaat. Het zoveelste ad hominemargument.
Spaan haalde vervolgens de voetbalwet erbij: die was, geloofde hij, na 15 jaar nog steeds niet in orde. Ook hier weer een ‘ik geloof’-argument. Maar los daarvan heeft de voetbalwet niet veel van doen met voetbal en al helemaal niets met de Olympische Spelen te maken. (Art. 174b Gemeentewet ziet o.m. op een verruiming van preventief fouilleren.)
Spaan: “De oppositie wil de regering een hak zetten. (Alweer een ad hominemargument.) “Er is geen enkele aanleiding om erover te zeuren.” Zaken als het niet adequaat informeren van de Kamer en een uitgaven van een paar miljard behoren grondwettelijk wel degelijk tot het domein van de Tweede Kamer, maar voor Spaan is dit dus zeuren. De Tweede Kamer moet geld geven en “verder mondje dicht”.

Bommeljé over het hoger onderwijs


Oxford University

Het schandaal over declaraties aan de TU Delft is volgens Bommeljé geen incident, maar een symptoom van een ontspoorde bestuurscultuur in het hoger onderwijs (NRC, 4 feb. 2012). Bommeljé onderbouwt die stelling zeer gebrekkig. Hij wijst op het declaratiegedrag van de Delftse decaan Waas en collegevoorzitter Van den Berg. De bestuurders van Inholland declareerden er inderaad lustig op los, maar het was wel net zo netjes geweest om te vermelden dat het ging om de voorgangers van het huidige bestuur.
De rest van de argumenten deugen niet. Bestuurders Smit (VU) en Kortmann (Radboud) hebben betaalde commissariaten, maar dat heeft niets van doen met onterechte declaraties. Het enige harde feit dat Bommeljé over Ritzen (Unimaas) presenteert, is dat hij veel naar China gaat. Boekhoud en Koops worden eveneens als voorbeeld opgevoerd, maar beide bestuurders werken niet in het hoger onderwijs. Dan moet Bommeljé een bruggetje bouwen en dat gebeurt dan ook prompt: “Middelbaar onderwijs neemt dit gedrag moeiteloos over.” En zo kan Bommeljé alles bij elkaar fröbelen, zonder nadere argumentatie.
Verder selecteert Bommeljé alleen die feiten die hem pas komen. Volgens hem heeft het hoger onderwijs het afgelopen twintig jaar uiterst povere resultaten geleverd. Het bewijs is eenvoudig: het studierendement is verhoudingsgewijs laag (47%) en het niveau slecht. Het bewijs voor de laatste stelling komt van de commissie-Veerman. Die concludeerde volgens hem dat het hoger onderwijs in Nederland ronduit slechts is. We hebben het dan over een commissie die schreef dat “de basiskwaliteit van het onderwijs op orde is” en ook dat “het Nederlandse universitaire onderzoek internationaal zeer goed presteert”. In de ranking van de Times Higher Education, zo bleek onlangs, staan de gezamenlijke Nederlandse universiteiten op nummer 3. Dat alles past niet in het betoog van Bommeljé. Evenmin dat men op het ministerie onlangs liet uitrekenen dat het hbo een overhead van bijna 26% kent. Dat is nog te veel, maar het klinkt anders dan Bommelje’s spectaculaire 80%.
In Amsterdam mag men in het eerste studiejaar een 5 compenseren met een hoger cijfer. Voor Bommeljé is dat het zoveelste bewijs van de academische verloedering. Maar zelf neemt hij niet eens de moeite om ook maar één inhoudelijk argumenten van de voorstanders van de maatregel te bespreken.
In een eerder artikel in het NRC ‘bewees’ Bommeljé dat er al sinds 1984 gefraudeerd wordt in het hbo. Het bewijs: 100 onterechte inschrijvingen bij de Haagse hogeschool in 1984 en een dubieuze inschrijvingszaak bij een aantal hogescholen in 2000. Toegegeven: sinds 1984… bekt veel beter. 

Is Geert Wilders een racist? (8.1.12)

Is Wilders een fascist en een racist? Henk Bovekerkstudent Liberal Arts & Sciences aan de Universiteit van Tilburg, schreef er een bachelorscriptie over en concludeerde dat Wilders inderdaad een fascist en een racist is. Op p. 32/33 schrijft hij: “On top of his Manichean world view, Wilders proves to be a racist. “Everyone in the Netherlands that abides by the rules is welcome,” he writes, “no matter what religion, race, or sexual preference.” (…) We should look at the use of the word ‘race’ here. Although Wilders implies otherwise, race isn’t like religion or sexual preference. Religion and sexual preference vary from one human being to the other. But all humans belong to the same hominid subspecies homo sapiens sapiens –– the human race. To imply that there are various human races is racist, and as Wilders does imply so here, we can conclude that he is a racist.
In artikel 1 van de Grondwet staat dat “discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, niet is toegestaan”. Ook in dit artikel wordt voorondersteld dat er verschillende rassen zijn. Het door Wilders gemaakte onderscheid is in die zin niet vreemd.
Bovekerk maakt een grammaticale bewering (…een racist is iemand die…) en maakt vervolgens de – logisch niet geoorloofde – sprong naar een desciptieve bewering (…dus Wilders is een racist…). 

Nieuw nummer van het tijdschrift Informal Logic is verschenen

Klik hier voor de digitale versie.

De vertekening van een standpunt door prof. Kortmann (5.12.11)

De affaire zal inmiddels bekend zijn: de hoogleraren Diederik Stapel en Roos Vonk werkte samen bij een onderzoek naar de psychologische effecten van vlees. Stapel bleek op grote schaal gefraudeerd te hebben met data. Ook de data die aan het ‘vleesonderzoek’.
Het college van bestuur van de Radboud Universiteit Nijmegen verzocht daarop de commissie wetenschappelijke integriteit uit te zoeken hoe Vonk bij dit onderzoek heeft gehandeld. De commissie stelde dat Vonk niet had gefraudeerd en ook niet bij fraude betrokken was. Maar, zo stelde de commissie verder, Vonk had wel professioneel onzorgvuldig gehandeld. Op basis van het advies van de commissie berispte het college Vonk en maakte deze berisping openbaar gemaakt. De samenleving moet kunnen vertrouwen op de zorgvuldigheid van wetenschappers.
In de Volkskrant (O&D, 29 november 2011) stelden Buck en andere leden van de Nijmeegse studentenpartij asap dat het advies van de commissie wetenschappelijke integriteit over Roos Vonk openbaar zou moeten zijn. Ze wezen op het feit dat de Universiteit van Tilburg had het rapport van de commissie-Levelt over Diederik Stapel wel openbaar had gemaakt. In de woorden van Bas Kortmann, rector magnificus van de Radboud Universiteit Nijmegen,: “De Universiteit van Tilburg had het rapport van de commissie-Levelt over Diederik Stapel al openbaar gemaakt. Dus waarom publiceert de Radboud Universiteit het rapport over Vonk niet?”
Prof. Kortmann reageerde als volgt: “Het college kan het advies van de commissie echter niet openbaar maken. De commissie heeft de handelwijze van Vonk onderzocht op basis van de regeling wetenschappelijke integriteit Radboud Universiteit Nijmegen. Deze regeling bepaalt dat het advies van de commissie niet openbaar is (artikel 24 lid 1). Daar moet ook het college van bestuur zich aan houden. Tijdens het spel kun je de regels niet veranderen. De regeling bestaat al sinds 2006 en is te vinden op de website van de universiteit.”
Analyse. Het college van bestuur publiceert het rapport niet, omdat de regels van de universiteit dit niet toestaan. Maar wie maakt die regels? Het college van bestuur. En waarom mag art. 24 lid 1 van de regeling wetenschappelijke integriteit Radboud Universiteit Nijmegen niet worden aangepast? Omdat je tijdens het spel de regels niet mag veranderen.
Tegenover dit formele argument (regels zijn regels) stelde Kortmann de argumentatie van Buck. Dat wil zeggen: hij vertekende het standpunt van Buck. Die laatste zei namelijk helemaal niet dat het rapport openbaar moest worden gemaakt omdat de UvT het rapport over Stapel openbaar had gemaakt. Buck somde drie inhoudelijke redenen op. De eerste was dat de wetenschappelijke wereld zich niet kan herstellen wanneer rapporten naar de integriteit van degenen die het imago wellicht hebben bedoezeld niet openbaar worden gemaakt. De tweede was dat je elk verwijt dingen in de doofpot te stoppen voor moet zijn in gevallen waarin men onwetenschappelijkheid vermoedt. En de derde is dat de wetenschap openbaar moet zijn.
Van een (onjuist) analogie-argument van de zijde van Buck was helemaal geen sprake.

Halfzachte conclusies van Martin Sommer


Martin Sommer (Vk, 23.6.11) is van mening dat het idee van een halfzachte journalistiek die het heeft verloren van de macht, niet klopt. “En wie mij niet wil geloven leze Philip van Praag in het Jaarboek parlementaire geschiedenis 2010. Die schrijft: 'Er is geen onderzoek dat aantoont dat de media vroeger minder fouten maakten en meer zaken blootlegden dan tegenwoordig. Het idee dat de journalistiek enkele decennia geleden beter functioneerde, is een mythe, vooral gebaseerd op een idealisering van het verleden’.”
Analyse. Inderdaad, het citaat staat er letterlijk zo. Alleen deugt de conclusie van Van Praag niet. Als er geen onderzoek is gedaan dat aantoont de media vroeger minder fouten maakten en meer zaken blootlegden dan tegenwoordig, dan volgt daar niet uit dat het idee dat de journalistiek enkele decennia geleden beter functioneerde een mythe is. Als er geen onderzoek is gedaan, kun je dat ook niet weten. Alleen als  onderzoek is gedaan dat aantoont dat de media vroeger minder fouten maakten en meer zaken blootlegden dan tegenwoordig, dan is het idee dat de journalistiek enkele decennia geleden beter functioneerde een mythe.

Breedveld, Niemöller & stroman

Venus (Museum van Agen).

Peter Breedveld beweert: “Volgens Joost Niemöller, die zich volstrekt vrij voelt publiekelijk te verklaren dat Breivik gelijk heeft, zijn dergelijke dreigementen ‘uitingen van kwetsbaarheid’.” (FN, 29.7.09)
Wat schreef Niemöller dan? Onder meer dit: “De ongemakkelijke vraag is: Kan zo’n verschrikkelijke klootzak als Breivik dingen zeggen waar ik het mee eens ben? En sterker nog: dingen die goed getroffen zijn? Ja, kennelijk. En dat is dus een heel problematische werkelijkheid. Want met mensen als Breivik wil ik het maar al te graag honderd procent oneens zijn. En als ik kan vaststellen dat het totale waanzin is wat hij zegt, dan is voor mij ook het probleem van tafel.
Je kunt natuurlijk gewoon besluiten om dat hele boek van hem niet te lezen. Of alleen een beetje diagonaal. Dat laatste is wat iedereen in de media gedaan heeft. Wat wil je ook, 1500 pagina’s. Oogt intellectueel. Laat maar zitten. Zal wel onzin zijn.
Ik heb inmiddels grote delen van het boek wel echt gelezen. Ja, er staat onzin in. Maar er staat ook heel veel niet onzin in. En er staan vooral nogal wat ongemakkelijke waarheden in.” Vervolgens geeft hij een inhoudelijke toelichting over juiste en onjuiste beweringen.
Kortom, dat is iets totaal anders dan te verklaren dat Breivik gelijk heeft. Breedveld maakt zich schuldig aan een stroman.

Donners catch 22 in de SGP

.
Door Rob Kooijman
In een brief aan minister Donner schreef het SGP-bestuur dat er met betrekking tot de kandidaatstelling namens de partij voor politieke functies geen formele belemmeringen voor vrouwen zijn.



Donner: “Ik constateer, nu er geen formele belemmeringen voor vrouwen zijn -- dat heb ik vastgesteld -- er dus alleen maar praktische belemmeringen voor vrouwen zijn. Die zitten vast op het feit dat vrouwen die kandidaat zijn het beginselprogramma zouden moeten onderschrijven waarmee ze tegelijkertijd aangeven dat ze geen kandidaat zouden moeten zijn. Dat is de catch 22-situatie die hierin zit. Als het beginselprogramma inhoudt dat ze niet moeten doen, wat u schrijft dat ze wel moeten doen, gedragen ze zich dus in strijd met het beginselprogramma. Dat vind ik niet het onderschrijven van een beginselprogramma. Dat is toch hetzelfde als wanneer de SP een neoliberaal zou kandideren en dan zou zeggen dat het niet in strijd met haar beginselen is? Hij draagt weliswaar iets totaal anders uit, hij is wat anders, maar hij is wel kandidaat. Daar hebben we het over.”

Vreemd, lijkt mij dat, een formele belemmering die een praktische belemmering oplevert voor vrouwen, maar geen formele belemmering voor vrouwen is. De formele regels van een vereniging bepalen immers het praktische functioneren van de leden van de vereniging; het zijn geformaliseerde juridisch bindende gedragsregels. Uit een eenvoudig bewijs uit het ongerijmde volgt dat een formele belemmering die geen formele belemmering voor vrouwen is, geen praktische belemmering voor vrouwen oplevert. Van een catch 22-situatie is daarom in de SGP geen sprake. Een (alledaags) voorbeeld van een catch 22-situatie is de situatie, na het verlaten van school, waarin men zonder werkervaring geen baan krijgt en men zonder baan geen werkervaring opdoet.

Een formele belemmering die het SGP-bestuur noemt is de volgende. Bij de beoordeling van kandidaten namens de SGP voor polliteke functies dus, zoekt de SGP naar leden die het vrouwenstandpunt onderschrijven. Het vrouwenstandpunt, dat in het beginselprogramma van de SGP is opgenomen, is de opvatting dat politieke functies, en daarmee het recht om voor die functies kandidaat te zijn – het zogeheten “passief kiesrecht”, op Bijbelse gronden in strijd is met de roeping van de vrouw. Stel, dat een vrouw kandidaat is en dat haar kandidaat-zijn door het SGP-bestuur wordt gezien als dat deze vrouw dan niet het vrouwenstandpunt onderschrijft – begrijpelijk, want zij gedraagt zich door kandidaat te zijn niet in overeenstemming met de opvatting van de SGP over de vrouw. Het onderschrijven van het vrouwenstandpunt zou dan een formele belemmering zijn voor vrouwen om kandidaat te zijn - was die formele belemmering er niet, dan kunnen vrouwen kandidaat zijn. Maar het bestuur zegt dat dit niet zo is: het gestelde levert een ongerijmdheid op. Als een vrouw kandidaat is dan, wordt haar kandidaat-zijn door het SGP-bestuur kennelijk niet gezien als dat die vrouw het vrouwenstandpunt niet onderschrijft. Hetzelfde bewijs uit het ongerijmde kan worden gebruikt voor de formele belemmeringen dat kandidaten het vrouwenstandpunt moeten “uitdragen” en “beginselgetrouw” en “geschikt” moeten zijn.


Vrouwen die het beginselprogramma onderschrijven, geven aan dat ze van opvatting zijn dat kandidaat-zijn in strijd is met de roeping van de vrouw. Het geeft niet aan dat hun gedrag daarmee in overeenstemming moet zijn. Daarom is op grond van de brief van het SGP-bestuur geen catch 22-situatie in de SGP. De verplichting tot onderschrijven is een goede garantie dat de kandidaat de opvatting van de SGP over de vrouw als kandidaat in gesproken en geschreven woord verkondigt, en blijft verkondigen als de kandidaat door het electoraat verkozen wordt voor een politieke functie.


Als een vrouw kandidaat is dan gedraagt zij zich door kandidaat te zijn niet in overeenstemming met, niet naar het vrouwenstandpunt. Is het opmerkelijk dat het SGP-bestuur dit niet als belemmering ziet? Niet als je de rechterlijke uitspraak leest: “De SGP zal ook na gedwongen toekenning van het recht op kandidaatstelling aan vrouwen ten volle de mogelijkheid hebben het vrouwenstandpunt te verkondigen in het parlement. Van de SGP wordt slechts gevergd dat, zolang de SGP die opvatting heeft, de SGP zich niet naar die opvatting gedraagt.” Vrouwen in de SGP gedragen zich als kandidaat in strijd met de opvatting over de vrouw. Dat zij dat kunnen wordt van de SGP gevergd.


De situatie is niet hetzelfde als met de SP die een neoliberaal zou kandideren. Een neoliberaal verkondigt, neem ik aan, niet de SP-opvattingen over het neoliberalisme. Bovendien wordt van de SP niet gevergd in strijd met de SP-beginselen neoliberalen die zich ook naar het neoliberalisme gedragen – bedenkt u maar wat - het recht op kandidaatstelling namens de SP toe te kennen. Dat neoliberalen kandidaat voor de SP kunnen zijn wordt niet van de SP gevergd.


Rob Kooijman

Prof. Loonstein & het argumentum ad Hitlerum

Prof. Herman Loonstein in K&B (16.6.11): “Als het niet bewezen dierenleed waarover deskundigen in ernstige mate van mening verschillen, moet prevaleren boven het door joden ongestoord in Nederland kunnen blijven wonen, dan is dat een zwarte bladzijde in de geschiedenis van dit land. Dan zal hetgeen zestig jaar geleden niet gelukt is – het doen verdwijnen van de Joodse gemeenschap uit Nederland - binnenkort een feit zijn.” Hij vertolkte slechts, zei hij, wat leeft anno 2011 in de Joodse gemeenschap.
De vergelijking was ook geen vondst van hem. De dierenbescherming gebruikte die vergelijking ook al na de oorlog; in 1980 werd de link gelegd en nu legde Thieme zelf het verband door te stellen dat in de oorlog bedwelmd slachten ook was toegestaan.
Analyse. Dit is een voorbeeld van een argumentum ad Hitlerum (ook wel: reductio ad Hitlerum): door de argumenten te associëren met Hilter, probeert men die argumenten in diskrediet te brengen, enkel door de associatie.
Dat er binnen de Joodse kring zo gedacht wordt en dat anderen dat verband ook al gelegd hebben, doet niets af aan het gegeven dat dit type argumentatie het debat in de kiem smoort. Dat Loonstein slechts vertolkt wat er in de Joodse gemeenschap leeft, is evenmin een adequate rechtvaardiging. Prof. Loonstein kan, naar ik aanneem, ook zelf nadenken. 

Net verschenen....

Het hbo wordt kenmerkt door onterecht uitgedeelde diploma’s, structurele fraude met overheidsgelden en een bestuurlijke graaicultuur. Kortom: het hbo is failliet! Dat lijkt de conclusie na de stroom van media-aandacht waarin het hbo zich voorjaar 2011 mocht verheugen. Kranten, tijdschriften en televisieprogramma’s buitelden over elkaar heen om de wantoestanden in het hbo aan de kaak te stellen. Een stoet van deskundigen trok voorbij om het geschetste beeld kracht bij te zetten. Volgens de auteurs is er inmiddels sprake van een media-hype.

In deze hype zien we vooral foutieve interpretaties van onderzoeken, gegoochel met cijfers en overhaaste generaliseringen. In dit boek reconstrueren de auteurs op welke wijze deze media-hype heeft kunnen ontstaan. Vier krachtige frames komen samen en leiden zo tot het idee dat het hbo niet deugt.

O.m. te verkrijgen bij Unibook (13.00 euro)

Open gezwatel van Wynia

‘Open gezwatel’ was de titel van een column waarin Syp Wynia, een journalist uit de Elsevier-stal, het recente rapport van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) besprak (Elsevier, 18 juni 2011). Hoewel, ‘bespreken’ is eigenlijk een te groot woord, want feitelijk bestond de column van Wynia uit een fiks aantal merkwaardige verwijten. Hij viel over het gebruik van ‘de open samenleving’. Dat mocht niet van Wynia, want hij vond dit stelen. “Het begrip ‘open samenleving’ is ten tijde van de laatste wereldoorlog ontwikkeld door de filosoof Karl Popper. (…) Frissen en zijn kornuiten stelen het begrip van Popper en maken er een eigen brouwsel van dat ze inzetten om hun redeneringen een soort van ideologische onderbouwing te geven”. Dit verwijt raakt kant noch wal. De auteurs verwijzen niet eens naar Popper en los daarvan mogen ze termen gebruiken die anderen (in dit geval dus Popper) elders ook gebruiken. Van stelen is dus geen sprake. Wynia zegt dit onbedoeld ook, want hij verwijt de auteurs dat ze van dat begrip een eigen brouwsel maken.
Vervolgens ontspoorde het betoog van Wynia helemaal. Het advies van de Raad werd eenvoudig weggezet als “wetenschappelijke waanzin”. En de columnist ontpopte zich als therapeut en diagnosticeerde vrolijk dat de Raad een hekel zou hebben aan een min of meer homogene samenleving.
Maar de retorische trucjes van Wynia lagen er wel heel erg dik bovenop: “Laten we daar nu eens nuchter naar kijken”, was er een van. Zou iemand daar nog intrappen?

Grunberg is een bebrilde cavia

“Waarom wij het vermogen hebben om logisch na te denken”, wilde Arnon Grunberg (eigenlijk niet) weten, (want hij gaf zelf het antwoord: “opdat wij onderscheid kunnen maken tussen wat waar en niet waar is”.)
Helaas is Grunberg dan aan het verkeerde adres. In het logisch denken gaat het niet om de vraag of iets waar is. Het gaat om de geldigheid van een redenering.
De volgende redenering is logisch:
1. Als ik met mijn linker pink in mijn rechter oor boor, dan verandert Grunberg in een cavia.
2. Ik boor met mijn linker pink in mijn rechteroor.
3. Conclusie: Grunberg verandert in een cavia.
Deze redenering is logisch geldig, maar ik verwacht niet dat er na mijn door Grunberg gevreesde actie in werkelijkheid ergens een (bebrilde?) cavia rondloopt, waarin wij de vroege schrijver Grunberg kunnen herkennen.
Ik kan Grunberg dan ook geruststellen, want waar ik mijn vinger ook insteek, een Kafkaiaanse metamorfose richting cavia zit er niet in. Zoals gezegd, bij logisch denken gaat het niet om waarheid. Bij Grunberg overigens ook niet.

Interview over het 'Arnold Heertje-effect'

Luister hier naar het interview op Radio Brabant (zaterdag, 10 juni om 12.00)

Broodje aap & de sharia

Zie hier een sterk stuk op Sargasso.

Hoe het hbo door de EO werd gemangeld


“Vijf opleidingen zijn onderzocht en vier daarvan blijken niet hbo-waardig te zijn. Dat is een score van 80%.” De bewering kwam uit de mond van journalist en dichter Hans van Willigenburg in de uitzending van 'Dit Is De Dag'. Hij verwees naar (zijn eigen versie van) een recent onderzoek van de inspectie. Wat is er mis met die versie?
De inspectie zelf zei dat uit het onderzoek bij de 5 opleidingen van Inholland geen conclusies konden worden getrokken over de instelling Inholland (waar de 5 opleidingen onder vallen). 
Maar toegegeven, ‘een score van maar liefst 80% hbo-onwaardige opleidingen’ bekt aanzienlijk beter.

Interview (Zaanradio)

Vandaag (10 mei om 18.20) een interview op Zaanradio door Albert de Roo over het 'Arnold Heertje-effect'.

Hoe het hbo in het NRC werd gemangeld

Cartoon van Ritz


Het deftige NRC kon niet achterblijven in de spectaculaire berichtgeving over het hbo en zette fors in met een vette kop: het hbo fraudeert al sinds 1984. Historicus Bastiaan Bommeljé mocht op de Opiniepagina uitleggen hoe dat zat. Meteen in de eerste alinea ging het al helemaal fout. “Wie was echt verrast over de twee recente rapporten van de Inspectie van het Onderwijs waarin werd gesteld dat het merendeel van de onderzochte hbo-opleidingen ‘onder de maat’ bleek, zich ‘niet aan de wet hield’ en ‘onzorgvuldig gedrag’ vertoonde (NRC Handelsblad, 29 april)? Wie werd daadwerkelijk overvallen door het bericht dat misschien wel eenderde van alle studenten onterecht een diploma had gekregen en dat de onderwijssituatie op hogescholen ‘zorgelijk’ is, of ten minste ‘aanzienlijke tekortkomingen’ vertoont?”
In het rapport van de inspectie werd echter gesteld dat het afstudeertraject voor langstudeerders bij 4 van zeer zwak was en bij nog eens 4 zorgelijk was. (Alle 99 opleidingen werden bevraagd en - als de antwoorden niet bevredigend waren - kreeg een instelling nog een aanvullende vragenlijst voorgelegd. Naast die vragenlijsten vormden negatieve signalen van (bijv. oudstudenten) de aanleiding om een aantal opleidingen nader te bekijken. Alleen bij 5 opleidingen van Inholland werd ook naar het reguliere traject gekeken.) Bommeljé refereerde verder aan een bericht waarin – volgens hem - stond dat misschien wel eenderde van alle studenten onterecht een diploma had gekregen. Laten we voor de aardigheid eens de letterlijke tekst uit dat bericht erbij halen: “De Inspectie van het Onderwijs onderzocht bij Inholland drie studies waar alternatieve afstudeertrajecten golden, maar ook twee opleidingen waar alles volgens de regels leek te verlopen. In totaal bleek 39 procent van de 200 onderzochte diploma's ten onrechte verstrekt te zijn.” (NRC, 28 april 2011). Het ging dus helemaal niet over verstrekte diploma’s in het hbo, maar over verstrekte diploma’s aan langstudeerders die een alternatieve afstudeerroute bij 3 opleidingen van Inholland hadden doorlopen. Sterker nog, de inspectie zegt op haar site letterlijk dat “door de wijze waarop de onderzochte opleidingen zijn geselecteerd (op basis van risico-inschatting en ernstige signalen) het onderzoek expliciet niet een algemeen beeld van het bekostigd hbo geeft”.
Sowieso was de intro van dit artikel van Bommeljé verrassend. Het zou dus gaan over fraude in het hbo, maar over het onderzoek dat in de eerste alinea werd aangehaald, schrijven de auteurs van dat onderzoek op p. 18 letterlijk dat er geen sprake was “frauduleus handelen”.
Vervolgens introduceerde de auteur een retorische truc: “laten we elkaar niets wijsmaken. Dit was oud nieuws, gaapverwekkend, meer van hetzelfde en zelfs geen reden om een wenkbrauw op te trekken.
Waaruit blijkt dat er meer dan een kwart eeuw in het hbo wordt gefraudeerd? Was het echt zo vanzelfsprekend? We zullen de argumentatie van Bommeljé volgen.
In 1984 bleek de Haagse Avondschool enkele honderden niet-bestaande studenten te hebben ingeschreven voor de Moedermavo. Inderdaad, het was een duidelijk geval van fraude (van – let wel – één opleiding).
In 2004 kwam aan het licht dat er rond 2000 voor 96 miljoen teveel aan sudsidie werd ontvangen. Maar ook hier moeten we wel enkele kanttekeningen plaatsen. Ten eerste stelde de commissie-Schutte die deze kwestie onderzocht, dat “onderwijsland geen fraudeland” is. Het bedrag kwam voornamelijk voor rekening van een klein aantal instellingen. Zo was 57 miljoen gedeclareerd door drie instellingen. Rutte, de toenmalige staatssecretaris, deelde de mening van Schutte. Er zijn “geen zwembaden aangelegd in achtertuinen van bestuursvoorzitters”. Hij wees erop dat het geld niet was onttrokken aan de belastingbetaler. De onderwijsinstellingen die zich wel aan de regels hielden, kregen minder geld.
Een tweede kanttekeningen werd geplaatst door Bert Vroon, de toenmalige voorzitter van het college van bestuur van de CHN. OCW had volgens hem een scheiding moeten aanbrengen tussen werkelijke fraudegevallen en interpretatieverschillen van regels. “In plaats daarvan hebben ze alles op één hoop gegooid, en de hogescholen alle schuld in de schoenen geschoven. Terwijl het ministerie zelf ook schuld draagt door onduidelijke regels.” De bestuursrechter in Leeuwarden vernietigde het besluit van de staatssecretaris (een terugvordering van ongeveer 830.000 euro). De Raad van State bevestigde die uitspraak (AB 2008,65), al moet ik toegegeven dat de kwestie wat ingewikkelder ligt dan ik hier weergeef.
Vervolgens ontspoort de argumentatie in het artikel helemaal. Het stuk gaat verder over ontevreden studenten en visitatiecommissies. In 1999 bleken studenten aan drie opleidingen een onvoldoende te geven. En ook was er volgens Bommeljé rond 2002 enorme kritiek van de zijde van de inspectie en visitatiecommissies. Ook bij deze weergave kunnen we (enorme) kanttekeningen plaatsen. In het jaarverslag van de onderwijsinspectie in 2002 kunnen we op p. 143 namelijk het volgende lezen: “De kwaliteit van het binnenschools curriculum is bij de meeste hbo-opleidingen voldoende tot goed. Een klein deel van de opleidingen kreeg van visitatiecommissies te horen dat de aandacht voor theorie zwaarder kon worden aangezet. Ook bleek bij sommige opleidingen weliswaar de inhoud en het niveau van het curriculum voldoende, maar was er geen methode om de handhaving ervan te borgen.” Een jaar later is het niet anders: “Visitatiecommissies zijn over het algemeen tevreden over het curriculum en de inhoud van de opleidingen (binnenschools curriculum 74 procent voldoende) alsmede over de kwalificaties die afgestudeerden bereiken (gerealiseerde kwalificaties 79 procent voldoende)” (p. 228).
De retoriek van Bommeljé ten spijt (“het zou nog veel erger worden”) wordt in het jaarverslag van onderwijsinspectie helemaal niet het desastreuze beeld geschetst dat hij de lezer voorspiegelt. Het percentage hbo-opleidingen dat in 2002 ernstige tekortkomingen vertoonde, was in het WO nagenoeg hetzelfde. Maar los hiervan, wat heeft dat allemaal met fraude te maken?
De in 2006 door het SCP voorspelde onderwijs- en kennisniveau, werd in hetzelfde jaar bewaarheid, stelt Bommeljé. In dat jaar bleken zelfs bijspijkercursussen in het hoger onderwijs noodzakelijk. Hij verwees naar de lerarenopleiding voor het basisonderwijs en naar de universiteiten. Maar wat heeft het gebrekkige niveau van de instroom te maken met fraude in het hbo? Bommeljé besteedde vervolgens zelfs een hele alinea aan het gebrekkige taalniveau van universitaire studenten. Die uitwijding stond niet alleen los van het thema ‘fraude’, maar had zelfs niets meer met het onderwerp van het artikel (‘hbo’) te maken.  
Vanaf dat moment raakte de auteur het zicht op de werkelijkheid volledig kwijt. (Een flauwe opmerking, maar ik maak hem toch om te laten zien hoe makkelijk de retorische trucjes van Bommeljé ook toepasbaar zijn op zijn eigen artikel.) Hij beweerde dat “uit de beoordelingen van de 279 hbo-opleidingen die de NVAO controleerde tussen 2006 en 2010 blijkt (…) dat aan vrijwel alle hbo-opleidingen de goedkeuring verleend die nodig is voor overheidsfinanciering, ook aan de opleidingen die nu door dezelfde organisatie worden gekwalificeerd als ‘niet hbo-waardig’.” We gaan weer even terug naar de feiten. Die vrijwel “…alle hbo-opleiding…” zijn er in het totaal 4 van de 1189. En de kwalificatie had niet betrekking op de hele opleiding, maar op een betrekkelijk minuscuul onderdeel, namelijk het alternatieve afstudeertraject van langstudeerders, die hun studie maar niet wilden afronden. En waar zit nu de fraude? In het artikel zou toch ‘aangetoond’ worden dat in het hbo al meer dan een kwart eeuw gefraudeerd wordt?
Bommeljé stelde verder dat de onderwijsinspectie en de NVAO in 2008 met elkaar in conflict raakten. Het hbo-niveau zou op veel door de NVAO 'geaccrediteerde' pabo-opleidingen niet voldoende gegarandeerd zijn. Volgens de NVAO is dat onjuist. "De NVAO heeft pas begin 2009 de pabo’s beoordeeld op basis van de ingediende visitatierapporten. Ondanks de positieve rapportages heeft de NVAO in juni 2009 besloten zeven opleidingen niet te accrediteren, omdat twijfel bestond over de borging van het hbo-niveau." 
Om een en ander (maar wat precies, weet ik niet) te verduidelijken werd op het einde van het stuk ook nog de overhead van de Universiteit van Amsterdam erbij gesleept. 56% van het personeel werkt niet aan onderwijs of onderzoek. Inderdaad, schokkend, maar ook hier moeten we voor de zoveelste keer de vraag stellen: wat heeft de overhead van de UvA te maken met het hbo? En wat heeft het van doen met de fraude? Op 21 maart van dit jaar stelde Zijlstra dat het hbo een overhead van bijna 26% kent. 
De politiek heeft volgens Bommeljé altijd gekozen voor glanzende façades van de kenniseconomie. Nooit wierp ze een “echte blik op de treurnis daarachter, van desperate of cynische docenten, van zichzelf verrijkende en door almacht geobsedeerde bestuurders en van wanhopige, luie of over het paard getilde studenten”.  De docent lijkt er in zijn aanklacht dus nog genadig af te komen, maar schijn bedriegt. Maar tussen de regels door wordt duidelijk dat de grote boef in het verhaal diezelfde docent is. Hij is degene die het onderwijs totaal verziekt heeft. Ik zal voor de aardigheid Bommeljé’s opmerkingen bij elkaar zetten: “…docenten om onduidelijke redenen wekenlang afwezig zijn…”, “…mensen die geen Engels spreken…”. Zij gaven talrijke groepsopdrachten waren waarvoor iedereen een voldoende kreeg. Zij produceerden “tentamens - die toch al diepgang missen – en steeds opnieuw werden gebruikt, zodat studenten de antwoorden al kenden”. En examencommissies “bestonden vrijwel altijd uit eigen personeel van de opleiding, dat financieel baat had bij veel geslaagde studenten”. Uit de mond van Veerman liet Bommeljé komen dat nog al wat docenten “niet goed genoeg” waren. (Dat citaat heb ik nergens kunnen terug vinden. Niet in het rapport van de commissie en evenmin in Trouw, Volkskrant en NRC. Hoewel, een keer. In een artikel in de Volkskrant vond ik het gewraakte citaat terug. De auteur van dat artikel? Inderdaad, Bommeljé.)
Wel was er een negatief oordeel van studenten over het gebrek aan uitdaging in het hbo en het niveau van de docenten. In de periode 1996-2005 werden hbo-studenten inderdaad steeds negatiever over hun opleidingen. Met name de inhoud van de studie en de kwaliteit van de docenten werden kritisch beoordeeld, zeker in vergelijking met de universitaire studenten. Maar uit hetzelfde onderzoek blijkt dat hbo-studenten ook behoorlijk negatiever oordeelden over de sportfaciliteiten in vergelijking met wo-studenten. Zelfs in universiteitssteden waar hbo- en wo-studenten hetzelfde tarief voor de dezelfde sportfaciliteiten betaalden, was de waardering door hbo-studenten veel lager. Voor het uitgaansleven gold hetzelfde. Hoewel het verschil klein is, beoordeelden hbo-studenten de uitgaansfaciliteiten in de universiteitssteden gemiddeld lager dan wo-studenten. Dat roept dus de vraag op wat je nu precies op basis van zo’n onderzoek mag concluderen. Zijn de eisen in het hbo echt te laag of oordelen studenten in het hbo sowieso altijd negatiever over alles. Pas als deze vraag is beantwoord, kan er een zinvolle conclusie uit het onderzoek worden getrokken.
Wat te denken van het artikel? De auteur kondigde aan dat het hbo 24 jaar aan het frauderen was. Die beschuldiging maakt hij in de verste verte niet hard. In 1984 maakte één avondschool zich schuldig aan fraude; rond 2000 een aantal hogeschool (ten koste van andere hogescholen), hoewel de voorzitter van de onderzoekscommissie ‘onderwijsland geen fraudeland’ wilde noemen. Maar verder? Verder was er niets te melden. Elke negatieve opmerkingen over het hbo wordt losgeweekt uit de context, uitvergroot tot enorme proporties en gepresenteerd als een objectieve waarheid. 

Hoe het hbo door Elsevier werd gemangeld

In Elsevier die vandaag (7 mei 2011) verscheen, werd het hbo ‘onder vuur genomen’. Met de titel van het artikel ‘Onthutsend onwetend’ werd de toon gezet. De ondertitel deed nog erger vermoeden: “hoe hbo-opleidingen het stempel ‘goedgekeurd’ konden krijgen, ook als van alles mis was.” En in de lead van het stuk probeerde Elsevier ook dat weer te overtreffen: het gesjoemel met diploma’s aan Inholland is de top van een ijsberg: in het hbo is veel meer mis. “Zelfs opleidingen met slecht onderwijs mocht eindeloos voortbestaan.”
Dat was nog niet genoeg, want ook in de eerste alinea moest de lezer nog overtuigd worden van de ernst van de zaak: het “harde” rapport van de onderwijsinspectie heeft niet alleen grote gevolgen voor Inholland, maar ook voor de reputatie van het hele hoger beroepsonderwijs. “Straks wantrouwen werkgevers elk hbo-diploma, en er zijn wel ruim 400.000 studenten in het hbo”. Nog even voor de duidelijkheid (en omdat dit feitje in artikel van Elsevier per ongeluk was vergeten): het rapport van de inspectie had betrekking op de alternatieve afstudeertrajecten van een aantal opleidingen, die men risicovol achtte. Anders gezegd: de onderwijsinspectie onderzocht wat opleidingen deden  met de langstudeerders, die in veel gevallen alleen nog maar hun scriptie moesten schrijven, maar dat nalieten omdat ze bijvoorbeeld te druk waren met hun baan. Het was geen a-selecte steekproef, maar een nader onderzoek bij opleidingen waarbij men bij de onderwijsinspectie op voorhand al vermoedde dat er wellicht iets niet in orde was met de ‘afhandeling’ van het afstuderen van de langstudeerders.
De inspectie zelf liet over de punten op de allereerste pagina van haar rapport dan ook geen enkel misverstand bestaan. De keuze voor een gericht onderzoek bij een aantal opleidingen werd eveneens keurig verantwoord. Maar aan al deze nuances had Elsevier dus geen boodschap en die suggereerde zonder blikken of blozen dat de kwaliteit van het hele hbo in het geding was.
Dat roept de vraag op hoe het weekblad, dat zichzelf onzettend scherp vindt, dit alles onderbouwde. In deze analyse concentreer ik me op twee aspecten: de feiten en de retorische verpakking ervan.

De ‘harde’ feiten
In het stuk werd de kwaliteitscontrole onder de loep genomen. Er zou dus van alles mis zijn en toch kregen hbo-opleidingen het stempel ‘goedgekeurd’. Wat onderzocht Elsevier? Men wilde weten hoeveel lesuren een student krijgt en men wilde weten of een student (of een scholier) erachter kan komen of een hogeschool wel voldoende docenten inzet om een adequate opleiding te bieden. Het antwoord op de eerste vraag was eenvoudig: er is geen informatie beschikbaar, maar we weten wel dat de ratio docent/student gemiddeld 1 op 25 is. Het antwoord op de tweede vraag wist verder niemand.
Dat is een aardig item voor wat gedegen journalistiek spitwerk, lijkt me, maar Elsevier had daar geen zin in. Die gooide het over een andere boeg. De toezichthouder had nog nooit een onvoldoende uitgedeeld. Een kolom verder begon het percentage al op te lopen naar een bescheiden 1 procent. Weer een kolom verder bleken er maar liefst 250 opleidingen in Nederland (en Vlaanderen) te zijn verdwenen vanwege onvoldoende kwaliteit. Dat laatste had dan te maken met het feit dat opleidingen (bedoeld is waarschijnlijk: instellingen) voortijdig met die opleidingen stopten, omdat ze de bui in de vorm van een negatieve beoordeling al zagen hangen.
Maar ook met dat laatste ‘zelfreinigend’ punt wist Elsevier raad: “op zich mogelijk een gunstig en zelfreinigend effect, maar voor de buitenwereld wel volstrekt onzichtbaar”. Er moest – linksom of rechtsom – toch een luchtje aan hangen, en in dit geval plaatste Elsevier dan zelf maar een reukvlakje.
En dan was er nog het punt dat er genadezesjes werden uitgedeeld. Als een beoordelaar een onvoldoende zou geven, dan zou er ‘radicaal ingegrepen’ kunnen worden bij de opleidingen. Vandaar dat de beoordelaars terughoudend waren en geen voldoendes uitdeelden. Een in dit verband vervelende bijkomstigheid is dat dit stelsel inmiddels tot de verleden tijd behoort. Het systeem is geëvalueerd en kennelijk te licht bevonden vanwege dit onwenselijke neveneffect. Prima ontwikkeling, zou je zeggen, maar dat paste natuurlijk niet in het straatje van Elsevier. Daarom werd in de volgende alinea meteen een nieuw debacle aangekondigd: instellingen kunnen er nu voor kiezen om eerst een instellingen en daarna de opleidingen te laten beoordelen. En daardoor kunnen “hogescholen nu makkelijker bemoeienis van buiten ontlopen”. Met die constructie ging, zo lezen we verder, hogeschool Inholland aan de haal, maar die hadden niet gerekend op de Inspectie: “die kwam er nu dus ongevraagd even tussendoor”. Maar is zo’n stelsel werkelijk zo raar? De Wageningse hoogleraar economie Wim Heijman pleitte onlangs voor beoordelingen van instellingen, waar daar zit volgens hem nu juist de fout.

Het retorisch jasje
Elsevier ontdekte allerlei vreemde zaken: “Opmerkelijke uitspraak uit het rapport van de Inspectie: het onderzoek naar de kwaliteit van de opleidingen was nu ‘omvangrijker en diepgaander’ dan tijdens de ‘reguliere controlerondes’.
Hoezo opmerkelijk? Wat verwachtte Elsevier dan eigenlijk? Dat alle 1189 opleidingen over alle punten diepgaand werden doorgezaagd over alle aspecten? De onderwijsinspectie onderzocht een subonderdeel (afstudeertrajecten van langstudeerders) van een onderdeel (het afstuderen), dat deelaspect vormt van de toetsing, dat zelf weer behoort tot één van de onderdelen van de kwaliteit van een opleiding. En dat van 15 opleidingen. Dat kan dus makkelijker wat diepgaander (hoe diep is diepgaand eigenlijk?), maar in de ogen van Elsevier is zoiets dan ‘opmerkelijk’. Hoe dan ook, het weekblad had de smaak te pakken, want in de rest van het artikel werd gesproken over “gesjoemel met diploma’s”. Alleen bij 5 opleidingen van Inholland werd ook naar het reguliere traject gekeken.
Maar Elsevier jokte er bovendien vrolijk op los. In het rapport wordt op pag. 27 iets anders gezegd: “Het onderzoek naar het gerealiseerde eindniveau van afgestudeerden was omvangrijker en diepgaander dan bij reguliere accreditatiebeoordelingen gebruikelijk is.” De inspectie had het dus helemaal niet over de kwaliteit van de opleiding, zoals Elsevier schreef, maar over het niveau van de scripties van de langstudeerders.
Op het einde van het stuk kwam de getalsverhouding weer ter sprake. Vreemd, want dat item was al een keer de revue gepasseerd. Het “gebrek aan harde informatie en openheid mag vreemd heten in een land dat de mond vol heeft van kenniseconomie en internationalisering. De getalsverhouding van studenten en docenten telt steevast zwaar mee in gerenommeerde ranglijsten als the Times Higher Education Rankings, de CHE Ranking van Die Zeit en de publicaties van U.S. News & Worldreport”. Nog afgezien van het feit dat deze (omstreden) rankings betrekking hebben op universiteiten, is uitgerekend die getalsverhouding wel bekend. Die is namelijk 1 docent op 25 studenten. Dat stond nota bene in het artikel van Elsevier.

“Hoe kon het zover komen?”
Maar hoe kon wat zo ver komen? Laten we de feiten uit het stuk nu eens op een rijtje zetten:
-  4 opleidingen blijken hun afstudeertraject voor langstudeerders niet in orde te hebben;
- verder zijn er 250 opleiding in Nederland en Vlaanderen door de instelling zelf gesloten omdat men de bui al zag hangen m.b.t. de kwaliteit van die opleiding;
- het oude systeem bleek ‘genadezesjes’ te genereren en is daarom per 1 januari van dit jaar vervangen door een ander systeem;
- de getalsverhouding docent – student is 1 staat tot 25.
En waar begon het artikel ook al weer mee? Het zou toch gaan over hbo-opleidingen die het stempel ‘goedgekeurd’ kregen, ook al was er van alles mis… En het gesjoemel met diploma’s van Inholland zou het topje van een ijsberg zijn… In het hbo zou toch veel meer mis zijn… En er waren toch opleidingen met slecht onderwijs die eindeloos mochten voortbestaan… Waar was het door BON zo hijgerig aangekondigde ‘brekend nieuws’ gebleven?
Elsevier maakte helemaal niets waar van al die harde beschuldigingen. Geen lijk, geen zaak, maar die logica werkt niet bij het weekblad. Zouden de auteurs van het stuk een diploma hebben van de hbo-school voor journalistiek, vraag ik me stiekem af?


Voor meer ongenoegen over dit artikel: zie hier.

Heertje vs. Kinneging

Heertje was uitgenodigd om zijn zegje te doen over een (m.i. zeer verfrissend) boek van Willem van Leeuwen over ‘vergeving’ en dat deed Heertje dan ook (niet). Heertje zag, zo bekende hij, weinig heil in het verschijnsel ‘vergeving’. Hij noemde het een ‘alfa’-benadering. “Als u wilt dat er een samenleving komt, die humaner is, een samenleving waar mensen elkaar kunnen vertrouwen, waar mensen eerlijker zijn (…) als u dat wilt, zult u de vraag aan de orde moeten stellen waarom u dat eigenlijk wilt, en hoe u dat tot stand gaat brengen. Wat moet daarvoor gedaan worden… Welke architectuur is nodig om een dergelijke wereld te bereiken? Maar de eerste vraag is, is dat eigenlijk wel nodig? Is het nodig dat we allemaal mensen krijgen in de samenleving, die deze geweldig ethische humane karakteristieken hebben? Is dat nodig en als u denkt dat dit nodig is, hoe gaat u dat dan controleren of mensen eerlijk en betrouwbaar zijn. Want naar mijn mening gaat het daar helemaal niet om.” Volgens Heertje willen we een samenleving waarin mensen zich gedragen alsof ze te vertrouwen, eerlijke en integer zijn. En dan moet je de vraag stellen hoe je dat gaat bereiken. Een kwestie van ‘social engineering’. Hij pleitte voor een systeem van prikkels waardoor zich gaan gedragen alsof ze te vertrouwen zijn. Een meer humane samenleving kan bereikt worden langs de weg van de exacte wetenschappen. “Langs de weg van de natuurkunde, de scheikunde en de wiskundige.
Kinneging, hoogleraar rechtsfilosofie, meende dat Heertje een belangrijk punt over het hoofd zag: wie bewaakt degenen die de prikkelstructuren inbouwen (1:54:28). “Wie bewaakt de bewaker?”, wilde Kinneging weten. Hij wees erop dat de nazi’s heel goed waren in het construeren en gebruiken van prikkelstructuren. Heertje vond “deze suggestie buitengewoon grievend. Ik begrijp niet waarom u dat doet. Er is ook geen enkele reden om dat te doen. Het is volstrekt misplaatst. U weet niet wat u zegt. U suggereert nu dat ik met gedachtegangen kom, die – als het ware - gefundenes Fressen zijn voor de nazi’s. Dat vind ik buitengewoon kwalijk.”
Kinneging meende op zijn beurt dat dit voorbeeld wel degelijk van belang was, omdat dit de zwakte van het betoog van Heertje blootlegde. “Maar het is misschien wel waar. U vindt het niet leuk, maar daarom geef ik dit voorbeeld. Misschien heeft u niet goed genoeg nagedacht over deze problematiek.”
Heertje wees vervolgens op het fenomeen ‘mechanism design’, waarvoor drie Amerikaanse economen de nobelprijs hebben gekregen. Het waren, zo benadrukte Heertje, alle drie joden. “Een essentieel onderdeel van het ‘mechanism design’ is het voorzien in de behoefte van burgers.”
Kinneging wilde vervolgens weten waarom er geopteerd moet worden voor een waarde als duurzaamheid. Heertje: “Houdt u nu toch even op, meneer, als u wilt.” Dat wilde Kinneging kennelijk niet, want hij herhaalde zijn vraag.
Op dat moment greep de gespreksleider, Pieter Hilhorst, terecht in. Hij bracht op een slimme manier het gesprek terug op het thema van de avond, ‘vergeving’. Maar daar wilde Heertje niet aan meewerken. Hij kwam terug met de sneer dat Kinneging niet kan weten waar het in deze economische theorie om gaat. Uitgangspunt van deze theorie is de behoeften van burgers.
Analyse. Wat te denken van het argumentatief gehalte van deze discussie? Ik meen dat het debat werd gekenmerkt door een fiks aantal drogredenen.
Zieligheidsargument. Allereerst Kinnegings verwijzing naar de nazi’s. Heertje reageerde geschokt. Hij bracht het zieligheidsargument in. Dat houdt in dat Kinneging de verwijzing met de nazi’s niet had mogen maken, omdat deze ongepast zou zijn. Strikt argumentatief gezien mag Kinneging de nazi’s als voorbeeld er wel degelijk bij halen. Ook de nazi’s maakten buitengewoon effectief gebruik een ‘systeem van prikkelstructuren’ en (bijna) niemand is enthousiast over dat regiem. (Maar los van het onderwerp van deze site: de verwijzing naar de nazi’s was m.i. wel bijzonder smakeloos, gezien Heertjes persoonlijke biografie. Maar deed Kinneging dat ook bewust? Hij had makkelijk naar andere voorbeelden kunnen verwijzen, maar desondanks heeft hij – inhoudelijk gezien - nog geen ongelijk. Dat Heertje zelf andersdenkenden beticht van nazipraktijken en –denkbeelden maakt de verwijzing van Kinneging niet minder smakeloos.)
Inconsistente argumentatie. Heertjes betoog was warrig, want hij nam tegelijkertijd vier verschillende posities in:
a.      a. hij opteert voor de werkwijze van de exacte wetenschappen en die is – ethisch-normatief gezien – waardenvrij en daarnaast heeft moraliteit niets bij het oplossen van maatschappelijke problemen;
b.     b. hij gaat uit van een hypothetisch imperatief (een ‘als dan’-constructie): als je duurzaamheid van belang acht, dan moet je X doen;
c.      c. hij stelt dat het ‘mechanism design’ inherent normatief is, want dat perspectief gaat uit van de behoefte van de burgers;
d.     d. hij stelde in het vraaggesprek dat datgene wenselijk is wat burgers wenselijk achten (en dat standpunt zouden met een beetje goede wil kunnen zien als een verwijzing naar de smalle moraal).
De eerste twee posities zijn met elkaar te verenigen, maar de vier posities kunnen niet allemaal tegelijkertijd worden ingenomen. Wie opteert voor een natuurwetenschappelijke manier van ‘social engineering’, kan de ‘alfa’-vraag -  waarom zou je bepaalde waarden nasteven – niet beantwoorden. Die vraag is niet binnen de exacte wetenschappen te beantwoorden. Kinneging wees terecht op dat praktische probleem.
Irrelevante argumentatie. Kinneging wilde van Heertje weten wie de bewakers bewaakt. Dat is een klassieke vraag die Plato in zijn Politeia ook al stelde (en beantwoordde, zie: 369-376). Heertje gaf geen antwoord op die vraag, maar ging het perspectief van het ‘mechanism design’ nog een keer uitleggen. Maar daarmee wordt de vraag wie de mensen controleert die dit design toepassen niet beantwoord. Want, en dat was Kinnegings punt, ook nazi’s kunnen ge- of misbruik maken van die techniek.
Persoonlijk aanval. Mag bij Heertje niet ontbreken en werd dus ook hier weer met verve gelanceerd: Kinneging kan (!) niet weten wat een of andere economisch perspectief inhoudt.
Autoriteitsdrogreden. Dat de ontwerpers van het perspectief dat Heertje zo enthousiast schetste,  beloond is met drie nobelprijzen zegt op zich niets over de vraag of het perspectief in deze discussie inhoudelijk een waardevolle bijdrage levert. Dat die nobelprijswinnaars van joodse afkomst zijn, is voor Heertje kennelijk een relevant feit (zie zijn Echte Economie), maar is in dit verband irrelevant.
De immer vriendelijke Hilhorst heeft de – tegenwoordig steeds zeldzamer voorkomende - eigenschap van een gespreksleider om mensen te laten uitspreken en dat is een aangename gewaarwording. Maar het vooronderstelt dat de gesprekspartners wel over enige discipline beschikken. Die was bij Heertje niet aanwezig, want niet weg neemt dat de avond geslaagd was. Maar dat moeten we dan wel op het conto van Van Leeuwen en Hilhorst schrijven.