Grunberg en de vertekening van een standpunt

De schrijver Aron Grunberg en de vertaler Hans Driessen mochten naar aanleiding van de uitgave van het volledige werk van Freud in het Nederlands hun zegje doen in respectievelijk het NRC (30 maart 2007) en de Groene (131/27). Beiden merkten op dat Freud verguisd werd vanwege zijn vrijmoedige ideeën over seksualiteit. De vroege critici van Freud worden weggezet als “bekrompen burgermannetjes”, die alleen al met het woord ‘seksualiteit’ problemen hadden. Maar wat zeiden die burgermannetjes dan?
Analyse. Voordat ik inga op de behandeling van de drogreden, geef ik eerst weer wat critici van Freuds theorie vonden. Kraepelin (1856-1926), een Duitse psychiater, stelde dat men in de teksten van Freud “overal kenmerken van freudiaans onderzoek kan vinden: de presentatie van willekeurige hypothesen en vermoedens als vastgestelde feiten die zonder aarzeling gebruikt worden om nieuwe luchtkastelen te bouwen, en bovendien de tendens om te generaliseren op basis van individuele observaties.” Forel, hoogleraar psychiatrie in Zürich verhaalde in 1907 van patiënten met wie het door de psychoanalyse alleen maar bergafwaarts gegaan was. Janet (1859-1947), een Franse psychiater, stelde dat de psychoanalyse gekenmerkt wordt door symbolisme: “Een mentale gebeurtenis kan altijd, als dat nuttig is voor de theorie, opgevat worden als het symbool voor een andere. (...) Het is het gevolg van het vertrouwen van de auteurs (de psychoanalytici) in een algemeen principe vooraf geponeerd als ondiscutabel, dat hier geen feiten worden vastgesteld, maar toepassingen op feiten plaatsvinden.” William James schreef in 1909 dat hij de indruk had dat Freud geobsedeerd was door zijn ideeën.
Vanwege het feit dat ook psychiaters als Binswanger, Bumke, Hoche, Kraepelin en Rieger de psychoanalyse aanvielen, is het niet aannemelijk dat de nadruk op seksualiteit het belangrijkste bezwaar was. Zij publiceerden zelf ook over seksualiteit. Zij zagen echter heel goed in dat Freud en zijn volgelingen bezig waren om het complete vakgebied om te buigen naar het inzicht in de psychoneurosen. De psychosen, hun stokpaardje, werden op een zijspoor gezet. Dat klinkt wellicht wat wonderlijk, maar de psychiatrie was in Freuds begintijd gestichtpsychiatrie, die zich uitsluitend bezighield met de geestesziekte psychose. Dat was een stoornis waarvoor patiënten in een inrichting moesten worden opgenomen. Prof. Rieger verwoordde zijn aversie krachtig: de psychoanalyse was een vorm van Altweiber-psychiatrie. Deze ‘oude-wijvenpsychiatrie’ richtte zich tot mensen die zich ongelukkig voelden en die hooguit wat neurotische afwijkingen hadden. “Dit kwam neer op een afwijzing van hun levenswerk”, merkt de Canadese historicus Shorter op en dat was de reden van hun aversie.
Zowel Grunberg als Driessen vertekenen het standpunt van de critici en lanceren vervolgens een persoonlijke aanval. De critici hadden het over inhoudelijke aspecten van Freuds theorie. De vertekening bestaat erin dat de beide auteurs stellen dat critici (welke?) moeite hadden met het fenomeen ‘seksualiteit’. Ze hadden echter moeite met Freuds theorie over seksualiteit. Dat had niets te maken met hun bekrompenheid, maar kennelijk moet die kwalificatie elke nadere toelichting overbodig maken. En dat is precies de kern van de persoonlijke aanval.
Er zijn dus twee drogredenen in het spel: de strawman en het argumentum ad hominem.

© 2007 R.G.M. Ritzen