Truijens en de persoonlijke aanval (2)

© 2007 R.G.M.Ritzen
Toen het onderwijs nog degelijk was…

Oud-Citomedewerker Paul van Dam merkte in 2007 op dat de helft van de kinderen in groep 8 een simpel tekstje niet begrijpt. Dertig procent snapt na acht jaar niets van breuken en procenten; zestien procent weet niet waar Deventer of Parijs op de kaart ligt. De oorzaak van de kennisdaling is dat onderwijs per se leuk moet zijn. Van Dam, zo stelt Truijens in haar column in De Volkskrant (28 april 2007), heeft gelijk. “Maar waarom komt hij daar nu pas mee, als gepensioneerde? Het antwoord is af te lezen aan het commentaar van een Cito-collega. Die wil niet concluderen dat het basisonderwijs slecht presteert. O, nee. 'Het enige dat we kunnen zeggen, zegt Frank van der Schoot, 'is dat de score niet beantwoordt aan de standaarden die door deze deskundigen zijn opgesteld.' Dat klinkt wel heel benepen. Deze boekhouder gaat over de cijfers, niet over de werkelijkheid daarachter. Hij zit nog in de kooi. Praten met een pleister gaat moeizaam.”
Analyse. Van der Schoot hoeven we niet serieus te nemen. Die is volgens Truijens slechts een boekhouder en hij praat bovendien met een pleister. Daarmee bedoelt ze het volgende: “Samen weten de meters een heleboel dat wij niet weten. Want de meest opzienbarende cijfers worden weggemoffeld. Als ze de beleidsmakers, bestuurders en pedagogische centra - de onderwijslobby - niet bevallen, verdwijnen ze in een la. Op de monden van onderzoekers zit een dikke pleister. Om gek van te worden, zou je zeggen. Ze zijn de bewakers van de best bewaarde geheimen van Nederland. Als zij eigenmachtig de klokken luiden, pakken ze er bij het volgende onderzoek naast. De schoorsteen van hun instituut moet roken, hun eigen hypotheek betaald.” Van der Schoot wordt als een onbetrouwbaar individu weggezet.
Maar is het vreemd wat Van der Schoot zegt? Nee, hij stelt enkel dat naar de maatstaf van een aantal deskundigen de resultaten tegenvallen. En waarom zou die standaard per definitie onaantastbaar en objectief moeten zijn? Van der Schoot trekt in dit verband de juiste conclusie.
Drogeredenen van dit type noemt men in potjeslatijn: argumentum ad hominem.

© 2007 R.G.M. Ritzen