Loonen en de categoriefout

Foto: Karlsbrug in Praag - Patroon van de advocatuur © 2006 R.G.M. Ritzen

Anton Loonen, hoogleraar farmacotherapie, meent dat er meer natuurwetenschappelijk geschoolde rechters moeten komen, want die kunnen een belangrijke rol spelen bij de beoordeling van de deugdelijkheid van bewijsvoering.
Volgens deze wetenschapper gaan juristen van een aantal onjuiste vooronderstellingen uit. Zo menen ze massaal dat de waarheid bestaat en dat die ook gekend kan worden. Juristen gaan er daarbij vanuit dat één onweerlegbaar feit voldoende is om het geheel te bewijzen. Dat ene feit rechtvaardigt bovendien dat andere feiten buiten beschouwing mogen worden gelaten. De natuurwetenschappelijke benadering gaat ook uit van het bestaan van die waarheid, maar die kan niet geheel gekend worden. Daarom moeten alle beschikbare feiten aansluiten op het opgestelde verklaringsmodel
Analyse. Ik vrees echter dat Loonen de plank volledig misslaat en zich schuldig maakt aan een categoriefout. Juridische uitspraken als (straf)rechterlijke oordelen behoren tot de categorie uitspraken die zien op het reconstrueren van een casus. De categorie natuurwetenschappelijke uitspraken zien op het verklaren van bepaalde fysische verschijnselen. Loonen houdt een pleidooi om de juridische uitspraken te plaatsen in de categorie ‘verklaringen’.
Wat is daarmee mis? Loonen begrijpt de essentie van het natuurwetenschappelijke model niet; hij schetst een karikatuur van de juridische bewijsleer; en hij gaat voorbij aan hetgeen een rechter in het kader van waarheidsvinding doet. Ik zal deze drie punten toelichten.
De vraag is wat met een natuurwetenschappelijk model beoogd wordt. Het gaat om het verklaren en – in het kielzog daarvan – het voorspellen van gebeurtenissen. De klassieke pleitbezorgers van dit model, de filosofen Hempel en Nagel, hebben nooit gesteld dat dit model het meest wezenlijke en verhelderende is wat over een gebeurtenis te zeggen valt. Zij beweren alleen dat wetenschappelijke verklaringen die uitleggen waarom een bepaalde gebeurtenis optrad, een bepaalde structuur bezitten.
In de strafrechtspraak gaat het echter helemaal niet om het verklaren of voorspellen, maar om het reconstrueren van een bepaalde gebeurtenis. Aangezien zo’n reconstructie kan ontsporen, is er in de Nederlandse wetgeving een fiks aantal regels opgesteld. Het gaat hier te ver om alle regels te noemen en daarom beperk ik me tot een aantal die in dit verband relevant zijn. Anders dan Loonen beweert, is het niet zo dat één enkel feit voldoende is om het geheel te bewijzen. Een bewijs mag door de rechter niet worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige, aldus het tweede lid van artikel 342 in het Wetboek van Strafvordering. Zelfs de bekentenis van de verdachte zelf is onvoldoende. Daarnaast is de rechter verplicht zijn reconstructie van de gebeurtenissen inzichtelijk te maken. De rechter moet feiten én omstandigheden aanwijzen waarop de bewezenverklaring berust en hij dat ook nog eens beargumenteren (hoewel er wat dat laatste betreft, nog wel een en ander is af te dingen.)
Bovendien wordt het Nederlandse bewijsstelsel gekenmerkt door de vrijheid die de rechter heeft bij de waardering van het bewijsmateriaal. Een bekentenis, waarvan de rechter het vermoeden heeft dat deze is afgedwongen, mag hij buiten beschouwing laten.
Indien het bewijsmateriaal ontoereikend is, moet de verdachte worden vrijgesproken. Dat heeft niets te maken met een naïef juridisch idee over bewijsvoering, maar met een waarborg die stelt dat een verdachte onschuldig is totdat het tegendeel (overtuigend) bewezen is. In het nomologische model heeft dit soort overwegingen geen plaats.
Juristen vooronderstellen dat de waarheid te achterhalen is. In het natuurschappelijke model, zo stelt Loonen, stelt men dat de waarheid niet in zijn geheel gekend kan worden. Ook hier wreekt zich de gebrekkige kennis van de grondslagen van het strafprocesrecht. In het gezaghebbende handboek ‘Het Nederlands Strafprocesrecht’ van Corstens kunnen we lezen dat “absolute zekerheid er niet behoeft te zijn. Wiskundig bewijs waar geen speld tussen te krijgen is, wordt niet vereist.” Waar het om gaat is dat in redelijkheid niet getwijfeld kan worden aan het verwijt dat aan een verdachte gemaakt wordt.
Kortom, niet verklaren, maar reconstrueren. In zo’n reconstructie moet een rechter de handeling van een verdachte begrijpen door de betekenis of de zin ervan te achterhalen. In een aantal gevallen, bijvoorbeeld bij de vraag of iemand ontoerekeningsvatbaar is, kan het nomologische verklaringsmodel goede diensten verrichten.
Maar zelfs de karikatuur die Loonen van de juridische bewijsvoering schetst, leidt logisch gezien helemaal niet tot de conclusie dat er bij rechtspraak meer gebruik gemaakt moet worden van een natuurwetenschappelijke inbreng. Loonen miskent namelijk dat het vergaren en beoordelen van bewijsmateriaal en het reconstrueren van een bepaalde gebeurtenis door het OM iets totaal anders is dan het vergaren en beoordelen door natuurwetenschappers. Die laatste kan hun variabelen wijzigen en aanpassen. Experimenten tonen uiteindelijk aan of de theorie een zekere mate van waarschijnlijkheid heeft. Een rechter moet het doen met hetgeen voorhanden is. Slechts incidenteel kan worden nagegaan of een veroordeling terecht of onterecht geweest is. Zoals in het geval van de parkmoord, waarbij de echte moordenaar toevallig opdook. Zo blijkt uit onderzoek dat zestien procent van onschuldig veroordeelden een valse bekentenis had afgelegd. Mede door de vooruitgang op het gebied van DNA-onderzoek kon hun onschuld achteraf worden vastgesteld. Maar het komt zelden voor dat we kunnen achterhalen of een procedure zorgvuldig is geweest.
Natuurlijk doen zich in de praktijk gerechtelijke dwalingen voor. Het maken van fouten is inherent aan mensenwerk. Maar die zijn ook niet te vermijden met een natuurwetenschappelijke scholing van rechters. Een oppervlakkige verdieping in ons strafprocesrecht zou Loonen al op andere gedachten moeten brengen.

© 2007 R.G.M. Ritzen