Van der Werf en het argumentum ad ignorantium

Onlangs werden de resultaten bekend van een onderzoek over het onderwijsniveau dat door de Rijksuniversiteit Groningen werd uitgevoerd. De onderzoekers, Greetje van der Werf en Hans Kuyper, brachten drie generaties van scholieren in beeld: de generatie die in 1989 met haar middelbare school begon, die van 1993 en die van 1999. Wat blijkt? De leerlingen die in 1999 aan het voortgezet onderwijs begonnen, doen het beter dan die van tien jaar eerder.
De onderzoekers hebben drie toetsen (tekstbegrip, wiskunde, algemene vaardigheden) aan zo’n twaalfduizend leerlingen per generatie voorgelegd. De generatie 1999 scoort het hoogst.
Van der Werf, als hoogleraar aan de Groningse universiteit verbonden en fervent tegenstander van de recente onderwijsvernieuwingen, vermoedt dat sprake is van een lichte daling van het onderwijsniveau.
Gezien de feiten een toch behoorlijk verrassende conclusie. Maar, zo stellen de onderzoekers de mopperaars over de kwaliteit van het onderwijs gerust, de resultaten van de drie toetsen moeten worden geherinterpreteerd. Een deel van de hogere scores wordt verklaard doordat de leerlingen van 1999 in hogere schoolsoorten zitten. Als je dat effect weghaalt, blijft er niet zo veel van over. De generatie 1999 scoort op de wiskundetoets duidelijk hoger dan de voorgaande. Maar dat komt, aldus Van der Werf, omdat die toets van 1999 niet goed was. In de Volkskrant (12 november 2007) vertelt zij dat de toets voor drie generaties gelijk moest zijn, maar dat kon niet. “We moesten hem veranderen omdat de inhoud van het onderwijs is veranderd. Achteraf denken we dat de toets gewoon te makkelijk was. De kinderen weten niet méér, maar halen hogere diploma’s, en sneller. Dus worden er waarschijnlijk minder eisen gesteld.”
In hun rapport (De resultaten van VOCL’89, VOCL’93 en VOCL’99, Groningen 2007) stellen de onderzoekers Kuyper en Van der Werf dat de geconstateerde toename van de gemiddelden voor wiskunde van de generatie die in 1999 op de middelbare school begon, wellicht terug te voeren is op het gebruik van een meerkeuzetoetsversie, die niet helemaal overeenstemde met de toets die gebruikt werd in het onderzoek van 1993. “Hoewel de (…) equivalering (van de toets, R.) vrijwel zeker in technische zin correct is uitgevoerd, zou ook hier toch iets meer mee aan de hand kunnen zijn. In concrete opperen we de mogelijkheid dat a) de wiskundetoets in VOCL’89 (het cohort leerlingen dat in 1989 begon met het middelbaar onderwijs, R.) moeilijker was dan in VOCL’93, en b) de wiskundetoets in VOCL’93 moeilijker was dan in VOCL’99, en c) dat bij de equivalering deze (veronderstelde) verschillen in moeilijkheid niet tot hun recht zijn gekomen. Wanneer dit wel het geval zou zijn geweest, zouden in het meest gunstige geval de wiskunde scores (sic) in VOCL’99 gelijk zijn aan die van VOCL’89 en VOCL’93, zoals ook voor tekstbegrip Nederlands en algemeen vaardigheden is gevonden. Gegeven het feit dat de leerlingen in VOCL bij gelijke entreetoetsscores een hoger advies kregen dan de leerlingen in VOCL’89 en VOCL’93, het feit dat de toetsscores tussen de cohorten niet van elkaar verschillen, en het feit dat in VOCL’99 sprake is van een stijging van het rendement doet vermoeden dat er sprake is van een lichte daling van het onderwijsniveau. Met andere woorden, leerlingen hebben minder kennis van rekenen en taal nodig om een bepaald advies te krijgen, en bij gelijke kennis van wiskunde en de Nederlandse taal en algemene vaardigheden halen ze vaker zonder vertraging een diploma voor het geadviseerde of een hoger onderwijstype dan in het verleden het geval was.” (p. 99)
Analyse. De onderzoekers stellen dat de resultaten laten zien dat leerlingen die in 1999 begonnen beter presteren, maar als men de resultaten van het onderzoek herinterpreteert, komt men tot de conclusie dat er sprake is van een lichte onderwijsdaling.
Kan men die stap nemen? De onderzoekers poneren enkele hypothesen op grond waarvan men tot een andere conclusie kan komen. Het aantal hypothesen kan men echter variëren. De auteurs opteren voor de hypothesen dat de toetsen steeds makkelijker worden en dat equivalering niet correct was. Een andere optie is dat didactische vernieuwingen in het onderwijs wellicht niet zo slecht zijn geweest als Van der Werf voortdurend stelt.
Van der Werf weet op basis van haar onderzoek niet wat het geval is, en dus stelt ze dat ze de indruk heeft dat het onderwijsniveau gedaald is. Kortom, het is niet bewezen dat het onderwijsniveau gedaald is (want herinterpretatie kan leiden tot andere conclusies), dus is het gerechtvaardigd te stellen dat men de indruk krijgt dat het niveau gedaald is. Dat is een lichte vorm van een argumentum ad ignorantiam. (Zie voor een gedegen analyse van deze drogreden: D. Walton, Arguments form Ignorance, Pennsylvania 1996).