Van Haperen en het ontduiken van de bewijslast

In zijn lezenswaardige boek ‘De ondergang van de Nederlandse leraar’ (2007) stelt Van Haperen het volgende: “Ritzen ontkent en passant kwaliteitsproblemen. Een onhoudbaar standpunt. Dertig jaar geleden besteedde de overheid meer geld aan scholen dan vandaag de dag. Bovendien is in onze kenniseconomie de behoefte aan goed onderwijs groter dan ooit. Natuurlijk resulteert dat in daling van kwaliteit” (p. 206).
Analyse. Nog afgezien van het feit dat ik nergens zeg dat er geen kwaliteitsproblemen zijn (stroman), gaat het hier om het woordje ‘natuurlijk’. Wat heeft Van Haperen nu eigenlijk aangetoond? Feitelijk niets. Hij stelt alleen dat er minder geld aan onderwijs besteed wordt dan dertig jaar geleden. Maar daarmee is het vanzelfsprekende ‘natuurlijk’ nog niet aannemelijk gemaakt.
Cijfers laten zien dat het verband tussen ‘kwaliteit’ (wat dat dan ook mag zijn) en geld niet zo eenduidig is. Van alle rijke landen geeft Nederland samen met België het meeste uit aan basisschoolleerlingen (los van de vraag wat er vervolgens mee gebeurt). Wat betreft de uitgave aan het primair en secundair middelbaar onderwijs, geeft Nederland per leerling meer uit dan een ‘succesland’ als Finland (OESO, Eudcation at Glance, 2007). Toch scoort Finland - ook na een allochtonencorrectie - beter qua onderwijsprestaties dan Nederland (en elk ander land). Nog afgezien van dat punt, geeft Nederland meer uit dan het OESO- en het EU(19)-gemiddelde. Hooguit zou Van Haperen kunnen stellen dat geld een noodzakelijke, maar onvoldoende voorwaarde voor de verbetering van het onderwijs is.
Hoe dan ook, zo simpel als Van Haperen het voorstelt, is het natuurlijk niet. (Desondanks: zeer goed boek.)

© 2007 R.G.M. Ritzen