Heertje en de persoonlijke aanval

Oxford © 2006 R.G.M. Ritzen

Prof. Heertje laat in zijn column (RTLZ) zijn licht(je) schijnen over de waarde van de Raad van Economische Advieseurs (REA). Wie de adviezen van deze raad leest, “heeft het gevoel aardige doctoraalscripties te lezen van studenten, die enige kennis hebben verworven van betrekkelijk toevallige onderdelen van de tegenwoordig zo rijke en geavanceerde economische wetenschap. De nadruk ligt niet op diepgaande analyse en overzicht van de theoretische economie, doch op voorbarige en voorspelbare politieke conclusies”, aldus Heertje. De voorzitter van de club, een hoogleraar bedrijfskunde, “weet niets van de huidige ontwikkelingen in de economische wetenschap, mede omdat hij als student al niet meer werd opgeleid in de theoretische economie. Van hem kan geen stimulerende, inspirerende en vooruitziende blik worden verwacht omtrent thema’s, ontleend aan de economische wetenschap, waarvan de behandeling voor leden van het parlement van belang is.” (…) “De rapporten zijn geschreven door één van de vele afgestudeerden van onze economische faculteiten, die noch beschikt over voldoende kennis en overzicht van de economie, noch over stilistische gaven.” (...) "Dat leden van de Tweede Kamer de adviezen typeren als borrelpraat, oubollig, vlak, zouteloos en niet uitdagend, gaat terug op het intellectuele tekort van de secretaris", meent Heertje. Een goede secretaris zorgt volgens hem "voor puntige en originele beelden van de moderne, deels wiskundige, economische analyse en draagt zorg voor de brug van analyse naar beleid, zonder zelf op de stoel van de beleidsmakers te gaan zitten."
Analyse. In het stuk van Heertje treffen we niet één inhoudelijke opmerking aan waarmee hij zijn beweringen zou kunnen onderbouwen. Hij stapelt drogreden op drogreden, in het bijzonder de persoonlijke aanvallen. Waarom het niveau van de adviezen niet deugt, zegt Heertje niet. Hij geeft zelfs niet één voorbeeld van een voorbarige en voorspelbare politieke conclusie die we kennelijk in de adviezen aantreffen. De lezer moet het doen met “het gevoel” van Heertje.
De voorzitter van de REA (prof. Koedijk, RR.) weet volgens Heertje niets van economie, “mede omdat hij als student niet meer werd opgeleid in de theoretische economie.” Deze opmerking is onbegrijpelijk, omdat Heertje verderop in zijn betoog stelt, dat de REA voor de Tweede Kamer “het voertuig had moeten zijn om het wetenschappelijke werk van Nobelprijswinnaars als Nash, Selten, Stiglitz, Hurwicz en Maskin toegankelijk en beleidsrelevant te maken”. Zowel Selten als Maskin hebben niet economie, maar wiskunde gestudeerd. Zij zijn dus niet opgeleid in de theoretische economie, maar ze hebben zich daar pas later op toegelegd. Dat Heertje uitgerekend deze twee wiskundigen opvoert, is dan ook uitermate vreemd in het licht van zijn kritiek op Koedijk. Kortom, een inconsistentie in het betoog!


© 2008 R.G.M. Ritzen