Hendriksen en de categoriefout

Coenraad Hendriksen, hoogleraar Alternatieven voor dierproeven, is het niet eens met Jeremy Rifkin, die van mening is dat dierproeven bij toxiologisch onderzoek in de toekomst slechts een ondergeschikte rol zullen spelen. In plaats van dieren te gebruiken, zo stelt Rifkin (VK, 19.12.2007), zullen in de toekomst steeds vaker methoden als celkweek en computermodellen gebruikt worden.
Hendriksen (VK, 31.12.2007) meent echter dat Rifkin “erg vrij met de feiten omgaat. Omschrijvingen als ‘barbaarse dierproeven’ en het kwellen van dieren komen niet overeen met de cijfers die over het proefdiergebruik bekend zijn. In Nederland ondervindt minder dan 15 procent van de dieren ernstig ongerief van het experiment. Zeker, nog 15 procent te veel, maar om een systeem waarin dierproeven ethisch worden getoetst door een dierexperimentencommissie en waar toezicht op de experimenten wordt uitgeoefend door een welzijnfunctionaris, barbaars te noemen, gaat me te ver.”
Analyse. Hendriksen stelt dat Rifkin “erg vrij met de feiten” omgaat. Maar in de alinea waar deze opmerking staat, gaat het niet om een feitelijke bewering, maar om een andere categorie uitspraken, namelijk normatieve uitspraken (over de praktijk van dierproeven). Rifkin kwalificeert deze als barbaars en velt daarmee een normatief oordeel over deze praktijk. Hendriksens opmerking zou terecht zijn als Rifkin zou beweren dat het percentage ‘barbaarse’ of ‘ongeriefveroorzakende’ dierproeven hoger zou liggen dan de genoemde vijftien procent. Maar nogmaals, Rifkin heeft het niet over een percentage. Hendriksen had hooguit kunnen stellen dat Rifkin ‘erg vrij met de normen’ omgaat (maar dat legt wel de zwakte van het betoog beter bloot).
Overigens is het niet helder of beide auteurs over het hetzelfde praten: is ‘barbaarse dierproeven’ en het ‘kwellen van dieren’ (Rifkins terminologie) hetzelfde als ‘dierproeven die ernstig ongerief veroorzaken’ (Hendriksens terminologie). Het opsluiten van dieren in een kooitje kan als een vorm van kwellen beschouwd worden, maar het kan in de ogen van anderen wellicht niet vallen onder de noemer ‘dierproeven die ernstig ongerief veroorzaken’. Kortom, de terminologie is vooralsnog niet eenduidig en dat maakt Hendriksens verwijt arbitrair. Een andere definitie van de immorele dierproeven leidt tot een ander percentage.
Hendriksen verwijst in diezelfde alinea naar de ethische dierexperimentencommissie. Hij constateert dat vijftien procent weliswaar te veel is, maar omdat er een commissie bestaat, kan ook de categorie dierproeven die onder de categorie ‘vijftien procent’ valt, niet barbaars genoemd worden. Dit is een autoriteitsargument. Het feit dat er een ethische commissie bestaat, impliceert niet dat Rifkins kwalificatie ‘barbaars’ dus te ver gaat. Het hangt er maar vanaf welke morele standaard een dergelijke commissie hanteert.
We verlaten even het terrein van de informele logica en we bekijken het retorische gehalte van het stuk van Hendriksen. Rifkin haalt een rapport van NAS aan waarin enkele relativerende opmerkingen worden gemaakt over het nut van dierproeven. Dat levert het volgende commentaar op: “als lid van de commissie binnen de NAS heb ik de ontstaansgeschiedenis van het rapport kunnen volgen. Daarom weet ik ook dat de auteurs van het rapport nooit gesteld hebben dat ‘proefdieren allang overbodig zijn’ (kop van het stuk van Rifkin, RR.). Overigens zegt ook Rifkin dit in zijn artikel niet. Wel haalt hij conclusies uit het rapport aan die het belang van dierexperimenteel onderzoek relativeren.” Los van de opmerking dat de kop van het stuk verkeerd is, is deze passage overbodig. Hendriksen stelt zelf nadrukkelijk dat Rifkin in zijn stuk niet zegt dat proefdieren overbodig zijn. Dat Hendriksen lid is van een andere commissie van NAS, is volstrekt niet terzake. Dat hij de ontstaansgeschiedenis heeft kunnen volgen en dat hij ‘daarom’ weet wat er in het rapport staat, is evenmin relevant. De conclusies van het rapport zijn te lezen, ook voor mensen die niet lid zijn van een andere commissie van NAS. Ook het kennen van de ontstaansgeschiedenis levert in dit verband geen expertise op om te weten wat er in het rapport staat. Strikt argumentatief gezien is deze passage overbodig, maar retorisch gezien positioneert de auteur zich als insider. Het is, in de terminologie van Aristotoles, een pathetisch persuasiemiddel (pisties).

© 2008 R.G.M. Ritzen