Marris en de inconsistentie

De centrale stelling van het pamflet van de filosoof René Marris (De aanvallen op Pim Fortuyn en Ayaan Hirsi Ali en hun verdediging van westerse waarden. Aspekt, Soesterberg. 2005 ) is dat kritiek op een godsdienst of een cultuur iets anders is dan racisme. Dit besef is bij de critici van Fortuyn en Hirsi Ali ver te zoeken, aldus Marris. In zijn pamflet analyseert hij aan de hand van een aantal citaten van critici als De Graaf (D'66), Mak, Van Rossum, Blokker en een fiks aantal andere auteurs de verwarring die ontstaat als godsdienstkritiek gelijkgeschakeld wordt met racisme, antisemitisme en discriminatie.
Marris stoort zich behoorlijk aan een aantal retorische vergelijkingen die in het debat over Fortuyn Ayaan Hirsi Ali veelvuldig de kop opsteken en -staken, zoals Blokkers vergelijking van Fortuyn met Mussolini. Waarom mag je geen kritiek leveren op de fundamentalistische opvatting over vrouwen en homo's, vraagt Marris zich af. In een stelsel als het islamisme (het islamitische fundamentalisme) is er geen sprake van een scheiding tussen kerk en staat en wordt de vrijheid van meningsuiting met voeten getreden. Zo'n stelsel, zo stelde Fortuyn volgens Marris terecht, is inferieur aan een stelsel waar die vrijheid van meningsuiting zelfs grondwettelijk is vastgelegd. Zo'n standpunt heeft niets met een extreem-rechtse ideologie te maken, maar alles met de verdediging van waarden die in het Westen geaccepteerd zijn en die hebben geleid tot wetenschapppelijke vooruitgang van de afgelopen driehonderd jaar. Het bekritiseren van het fundamentalisme, aldus Marris, is iets wezenlijk anders dan antisemitisme en racisme.
Analyse. In het betoog van Marris zit een aantal inconsistenties. Naar aanleiding van de rechtzaak over Holmans opmerking dat iedere christenhond een misdadiger is, merkt Marris op dat christenen geen rechtelijke bescherming hebben. Het vonnis uit 1995 betekent volgens hem dat christenen niet alleen terecht niet gevrijwaard van kritiek op hun geloof zijn, maar ook dat ze volgelvrij zijn als het om beledigen en schelden gaat. Een aantal pagina´s later beschrijft hij de poging van Islamitische zijde om het vervolg op de film Submission te verbieden. Ook die eis heeft de rechter, net als in 1995, niet ingewilligd. Dezelfde situatie leidt bij Marris nu niet tot de conclusie dat islamiten vogelvrij zijn als het om beledigen gaat, maar tot een hele andere. Het laat volgens hem zien dat de vrijheid van meningsuiting door de islam bedreigd wordt. Was Marris consistent in zijn redenering geweest, dan had hij feitelijk moeten concluderen dat of christenen de vrijheid van meningsuiting bedreigen (net zoals islamieten) of dat islamieten (net zoals christenen) vogelvrij zijn als het om beledigen gaat.
Enerzijds bekritiseert hij de critici van Fortuyn omdat zij direct of indirect tornen aan westerse waarden, in het bijzonder de vrijheid van meningsuiting. Anderzijds lijkt Marris juist minder waarde te hechten aan die vrijheid als het de critici van Fortuyn betreft. Juist door het gebruik maken van de vrijheid van meningsuiting gaven de critici "een soort uitnodiging om hem (Fortuyn, R.) van het leven te beroven" (p. 37). Verder verwijt hij Ramdas dat deze islamcritici intimideert als hij - Ramdas dus - waarschuwt dat de gevolgen niet te overzien zijn als je fundamentalisten kwetst. Marris vindt dat zo'n standpunt getuigt van laffe serviliteit (p. 51). De critici van Fortuyn hadden daarentegen moeten afzien van hun vrijheid van meningsuiting gezien de gevolgen van hun standpunt: De Graaf en anderen hebben immers Volkert van der G. "de geestelijke munitie voor de moord aangereikt" (p. 36).
Ook op andere punten is Marris niet helemaal te volgen. Het standpunt van de redactie van de NRC ("....het is de trots van Nederland dat we hier juist niet de ene cultuur beter vinden dan de andere...") getuigt volgens Marris van cultuurrelativisme. Het is volgens de redactie kennelijk even goed om vrouwen die overspel hebben gepleegd dood te stenigen en homoseksuelen te doden als om dit niet te doen.
Die kritiek is onterecht. Het cultuurrelativisme houdt in dat er geen criterium is op grond waarvan je de ene cultuur of handeling normatief beter kunt vinden dan de ander. Wanneer iemand twee handelingen als 'even goed' omschrijft, vooronderstelt hij de mogelijkheid van een moreel criterium. Hij is dan zeker geen relativist. In het redactionele commentaar van het NRC wordt overigens nadrukkelijk verwezen naar een morele - en feitelijk zelfs Westerse - norm, namelijk dat individuen gelijk behandeld moeten worden. Los van de vraag of men het daar inhoudelijk mee eens is, impliceert een dergelijk standpunt op metaniveau allerminst een relativisme.

© 2007 R.G.M. Ritzen