't Hart en een mix van drogredenen

Ook schrijver Maarten ’t Hart heeft zich in het filosofiedebat gemengd (NRC, 23 april 2006). Hij analyseert de waarde van dit vak voor het middelbare onderwijs. Kierkegaard, zo stelde hij in zijn bijdrage, noemde de filosofie 'de onvruchtbare min van het leven. Ze kan ons wel voeden, maar niet zogen.'
Maar zelfs over dat voeden heeft hij zijn twijfels: “denk je dat je iets hebt aan Kants opvattingen over het wezen van de tijd als je horloge stukgaat?” Waarom filosofie geen nut kan hebben, is evident: “Al vaak heb ik erop gewezen dat wijsbegeerte en wartaal met dezelfde letter begint, net als filosofie en flauwekul.” Bovendien zijn grote wijsgeren in Duitsland stuk voor stuk gruwelijke antisemieten, Hegel en Fichte voorop.
Analyse. (Vooraf: verwacht u in dit geval geen serieuze behandeling van de drogredenen. Het stuk van 't Hart is waarschijnlijk ironisch bedoeld, maar ook in die zin is het mislukt.)
Elk land heeft zijn zo zijn eigen intellectuele schrijvers, die zich in het publieke en culturele debat mengen. Zo heeft W.F. Hermans min of meer Wittgenstein in Nederland geïntroduceerd en een aantal schitterende essays over Wittgenstein (en Nietzsche) voor het NRC geschreven. Zag de redactie van het NRC in ’t Hart een waardig opvolger van Hermans?
De waarde van het stuk van ’t Hart is wat mij betreft vooral gelegen in het vermogen om onbedoeld zoveel mogelijk drogredenen in een paar zinnen te verwerken: een false dilemma (het is niet: of leren solderen, of filosofie); een stroman (filosofische teksten zijn niet bedoeld om horloges te leren repareren); een generalisatie (alle Duitse filosofen zijn antisemieten); een onzinnige vergelijking (w van wartaal en w van wijsbegeerte) etc.
Ik zal bij een drogreden stilstaan, namelijk dat alle Duitse grote filosofen zijn volgens 't Hart antisemieten. Dus kennelijk ook de volgende Duitse (joodse) filosofen: Theodor Adorno, Martin Buber, Ernst Cassirer, Max Horkheimer, Hans Jonas, Max Scheler, enz.
Hoe kun je dit soort drogredenen bestrijden? De Belgische filosoof Van Bendegem gaf daar een aantal jaren geleden in een congres van de vereniging Skepsis het volgende antwoord op. Hij constateerde dat skeptici “na een debat vaak gefrustreerd achterblijven omdat ze geen greep krijgen op de gladde pseudo-argumentatie van hun opponenten”. Maar ook met meta-opmerkingen als 'uw argumenten kloppen niet, omdat ...' komt men doorgaans niet veel verder. Zijn devies: vergeldt drogredenen met drogredenen. “X claimt dat God bestaat, omdat er geen bewijs tegen bestaat, maar zijn tegenstander, de skepticus, betaalt met gelijke munt terug: UFO's, toverheksen, Beëlzebub bestaan, omdat er geen doorslaggevende tegenbewijzen voorhanden zijn.” Beide redeneringen zijn volgens Van Bendegem uiteraard ondeugdelijk, want je kunt nooit iets aantonen op basis van een gebrek aan tegenbewijzen. Maar, en dat is zijn punt, X zit klem, omdat hij met zijn eigen logica wordt bestreden.
Werkt die strategie? De geruchtmakende Sokalaffaire (zie het nummer van Skepter, december 1998) was volgens van Bendegem een lucide voorbeeld van bestrijding-met-eigen-middelen.
Laat ik dan ook maar eens een kleine bijdrage leveren: Maarten en Mesjogge beginnen allebei met een 'm'.