Weinberg en de contradictie

Schoonheid als criterium voor wetenschap? © 2002 R.G.M. Ritzen
De natuurkundige én nobelprijswinnaar Steven Weinberg meent dat de wijsbegeerte volstrekt overbodig is. In het bijzonder moeten de wetenschapsrelativisten het bij hem ontgelden. Dat zijn in de ogen van Weinberg lieden die met een superioriteitsgevoel de objectieve aanspraken van de natuurkunde in twijfel trekken en wetenschap op een lijn zetten met een vruchtbaarheidscultus of een potlachfeest.
Weinberg zelf verdedigt in zijn Dreams of a final Theory (New York 1992) twee stellingen. De eerste is dat de natuurkunde de afgelopen eeuw in het teken stond en staat van de objectieve vooruitgang; de tweede is dat de rol van de wijsbegeerte hierbij òf overbodig òf uiterst hinderlijk was en is.
De natuurkunde kan de wijsbegeerte missen als kiespijn, meent Weinberg. In zijn ogen worden natuurkundigen, alle wijsgerige betogen ten spijt, steeds weer geleid door hun gevoel voor schoonheid bij zowel het ontwikkelen van een nieuwe theorie als bij de beoordeling in hoeverre die theorie steekhoudend is. Een goede illustratie hiervan is Einsteins relativiteitstheorie. Het bewijs van zijn theorie was in de beginjaren buitengewoon zwak. Desondanks werd deze theorie al snel de standaardzwaartekrachttheorie. De reden dat Einsteins theorie niet rechtstreeks in de prullenbak belandde, was dat zijn collega’s gewoon overtuigd werden door de schoonheid ervan. Althans volgens Weinberg.
Weinberg heeft een ware allergie ontwikkeld voor alles wat met filosofie te maken heeft. Filosofie heeft namelijk geen enkel nut, uitgezonderd de filosofie die ons helpt de fouten van andere filosofen te vermijden.
De filosofie heeft meer dan eens de ontwikkelingen binnen de natuurkunde geblokkeerd. Zo wordt de Brit Thomson beschouwd als de ontdekker van het elektron, terwijl die eer wellicht ook aan de Duitser Kaufmann toegeschreven kan worden. Maar Kaufmann zat te zeer onder het juk van de filosofie van het positivisme, die hem verbood om te praten over iets wat niet waarneembaar was. En dat was het geval met de elektronen.
Bovendien kwamen sommige ontwikkelingen binnen de natuurkunde tot stand door zowat alles te overtreden wat filosofen verboden hadden, bijvoorbeeld het belang van onderzoek. Terwijl sommige filosofen het experiment hoog in het vaandel hebben staan, liggen de meeste natuurkundigen niet echt wakker van teleurstellende experimenten. Weinbergs credo in deze is: ‘Geloof een experiment nooit totdat het door de theorie bevestigd is’.
Analyse. De aanval op de redeloze ondoeltreffendheid van de wijsbegeerte van Weinberg en de zijnen heeft een uiterst merkwaardige kant. De bewering dat filosofie geen nut lijkt te hebben, is zelf een filosofische, en (volgens Weinberg) nutteloze bewering. Weinbergs aversie tegen de wetenschapsfilosofie is in zoverre onterecht, omdat deze ook zou moeten gelden voor zijn eigen opvatting. Zijn bewering dat je een experiment nooit moet geloven totdat het door de theorie bevestigd is, valt niet onder de categorie ‘natuurkundige uitspraken’, maar is een filosofische uitspraak. Over dat soort uitspraken meldde Weinberg eerder dat ze volstrekt overbodig zijn.

© 2007 R.G.M. Ritzen