d'Oliveira en de vertekening van een standpunt

De Antillen moet op marktplaats.nl te koop worden aangeboden en de hoogste bieder mag de eilandengroep hebben. Dat is zo ongeveer de strekking van het betoog van kamerlid Hero Brinkman (PVV). Fennema, hoogleraar politieke theorie van etnische verhoudingen, heeft dit betoog geanalyseerd in de Volkskrant (21.1.2008). Een dikke week later mengt oud-hoogleraar migratierecht d’Oliveira zich in het debat. Over het betoog van Fennema schrijft hij het volgende: “Fennema (…) sprong hem (Brinkman, RR.) te hulp. Die meent dat het voor een politicus niet altijd zo slecht is te vertolken wat zijn electoraat, en zelfs het hele Nederlandse electoraat in meerderheid van de kwestie vindt.”
Wat heeft Fennema geschreven? “De uitspraken van Brinkman en hun weerklank maken duidelijk dat zij zich vergissen. De PVV maakt zich tot de spreekbuis van alle Nederlanders die vinden dat het nu maar eens afgelopen moet zijn. Brinkman blijkt bovendien totaal niet gevoelig voor het argument dat Curaçao ooit een Nederlandse kolonie was en het centrum van de Nederlandse slavenhandel in de Cariben. In het programma Pauw & Witteman (14 januari) verklaarde Brinkman dat hij geen verantwoordelijkheid aanvaardt voor wat zijn verre voorouders op de Antillen gedaan hadden. Dit maakt dat de argumenten van Camelia bij Brinkman geen doel treffen. Ze zullen door Brinkman niet eens bestreden worden: het interesseert hem gewoon niet. Wat geweest is, is geweest. En zo denken de meeste Nederlanders er ook over. Het argument van Camelia ontleent zijn kracht aan het schuldgevoel ten opzichte van de vroegere koloniën, maar dat schuldgevoel is bij de politici veel sterker aanwezig dan bij de Nederlandse bevolking.”
Verder gaat Fennema in een aflevering van Pauw & Witteman. Een gast, VVD-kamerlid Laetitia Griffith, ging niet op Brinkmans inhoudelijke beweringen in, maar zei slechts dat Brinkman een populist was. “Maar het is met het verwijt van populisme als met het verwijt van kolonialisme: het treft alleen maar doel als de tegenpartij zich aangesproken voelt; als hij gevoelig is voor het verwijt dat hij weliswaar een grote mond heeft, maar ‘geen oplossingen aandraagt’.”
Griffiths verwijt is duidelijk negatief bedoeld. Fennema stelt dat men populisme echter ook in positieve zin kan opvatten, namelijk als het doorbreken van een elitekartel. “Als het uitdragen van opvattingen die bij grote delen van de bevolking gemeengoed zijn, maar door de politieke elite getaboeïseerd zijn. Pim Fortuyn deed dat in het islamdebat, Wilders en Brinkman doen dat nu in het debat over de Antillen. De ervaring leert dat een dergelijke doorbraak een lawine-effect heeft. Op het moment dat de onderhandelingen over het Slotakkoord niet alleen op de Antillen, maar ook in Nederland gepolitiseerd worden, zal blijken dat veel kiezers zich niet meer achter Balkende, maar achter Brinkman scharen.”
Analyse. Is Fennema Brinkman te hulp geschoten, zoals d’Oliveira stelt? Nee. Fennema analyseert enkel de effecten van de opmerkingen van Brinkman en hij laat zien welke middelen doel treffen en welke middelen falen. Daarmee schiet je Brinkman niet te hulp. Aan de kwalificatie ‘populisme’ mag dan door de politieke tegenstanders van Brinkman en de PVV een negatieve connotatie verleend worden, maar – zoals Fennema laat zien – het verschijnsel heeft ook andere effecten, namelijk het doorbreken van een elitekartel. Los van de vraag of dat goed of verkeerd is, wordt duidelijk dat dit effect in de praktijk optreedt.
Feitelijk doet Fennema precies wat je strikt argumentatief moet doen: abstraheren van politiek correct gevoeligheden en de argumenten en de effecten daarvan nauwgezet in kaart brengen.

© 2008 R.G.M. Ritzen