Dewael en het hellend vlak

Het Antwerpse provinciebestuur heeft een geplande tentoonstelling van Louis Paul Boons "Fenomenale Feminatheek" in het Fotomuseum geannuleerd. Het ging om een fikse verzameling naaktfoto’s en –knipsels. Gedeputeerde Ludo Helsen (CD&V) meent dat "het artistieke gehalte van de collectie te laag is. Vaak zijn de foto's maar wat krantenknipsels of zo. Ik heb thuis nog een verzameling plaatjes van sjotters en wielrenners en die toon ik ook niet in het Fotomuseum", zo zegt hij.
Helsen, die als gedeputeerde bevoegd is voor de instelling, is het niet helemaal eens is met de term ‘annulatie’: “Ik wist niet dat de tentoonstelling al was aangekondigd. Het is natuurlijk jammer dat dit gebeurt voor de bevoegde overheid haar goedkeuring heeft gegeven aan de programma’s van de provinciale musea. Maar het klopt dat ik deze expositie niet opportuun vond. Zoals gezegd, hij vond het artistieke gehalte van de collectie te laag. “Ik betwist niet dat de Feminatheek als document en achtergrondmateriaal bij de schrijver Boon zijn waarde heeft, maar het zou dan logischer zijn om dit in een literair museum te tonen. Ik had zelfs groen licht gegeven op voorwaarde dat ik betrokken zou worden bij de opbouw van de expositie. Want u weet ook dat Boon soms in een bepaalde richting ging die vandaag wenkbrauwen zou doen fronsen.”
Ruys, directeur van het museum, heeft dan zelf beslist om de expo te annuleren: “Gezien het vaak pornografisch karakter van deze collectie, aan de intentionele doelstelling om alle 22 400 beelden te tonen, niet kon worden voldaan. Vandaar dus de annulatie.” In de Gazet van Antwerpen voegde Ruys daar later nog aan toe: “Ik begrijp dat sommige prentjes gevoelig liggen, maar een beperkte selectie geeft een ander soort expositie en hoefde voor mij niet.”
Minister Patrick Dewael van binnenlandse zaken (België) verwoordt de bedenkingen van Helsen op een andere wijze (De Morgen, 2.2.2008). Helsen zou een probleem hebben met het pornografische gehalte van de foto's en zou willen vermijden dat het publiek deze 'aanstootgevende' foto's zou te zien krijgen.
“Als gewezen minister van Cultuur vind ik het onaanvaardbaar dat een politicus zich mengt in de artistieke vrijheid van een museum dat net tot doel heeft maatschappelijke en schappelijke en cultureel relevante collecties voor te stellen aan een breed publiek. Het is niet aan de politiek om te beslissen wat volwassen bezoekers mogen zien of niet.” Na deze ‘vaststelling’ stelt Dewael dat de Vlaamse christendemocraat het Vlaams Belang achterna loopt die vanuit een eng mensbeeld alleen aandacht wil besteden aan culturele exploten die de eigen volksgemeenschap 'verheffen', “Het is een verbazingwekkend staaltje van hypocriet puritanisme anno 2008, waarin vermeende gedeelde waarden en normen als alibi worden gebruikt om mensen een blinddoek om te doen.” Het annuleren van de tentoonstelling heeft volgens Dewael nogal wat consequenties: “Het verbieden van het tentoonstellen van de fotocollectie van een van de grootste Vlaamse schrijvers is een totaal verkeerd signaal. Het is niet aan de politiek om te oordelen of dit cultureel hoogstaand is of niet, maar aan de museumdirectie en de toeschouwers zelf. Zoniet, dan moet mijnheer Helsen maar snel alle boeken van Louis Paul Boon en in één klap die van Hugo Claus, Jef Geeraerts, Herman Brusselmans, Marquis de Sade, Henry Milier, Stendhal, Catherine Millet en anderen uit de openbare bibliotheken in zijn provincie halen.”
Analyse. Dewael maakt zich schuldig aan een hellend vlak: wie deze expositie verbiedt, dient “dan maar snel alle boeken van Louis Paul Boon en in één klap die van Hugo Claus, Jef Geeraerts, Herman Brusselmans, Marquis de Sade, Henry Miller, Stendhal, Catherine Millet en anderen uit de openbare bibliotheken in zijn provincie halen.” De verzameling plaatjes is voor Helsen echter van een andere orde dan de literaire kwaliteiten van Boon en – los daarvan – staan de artistieke kwaliteiten van de genoemde auteurs buiten kijf en daarom gaat de gelijkstelling niet op. De logica die de Dewael dwingend acht, is dan ook niet meer dan een schijnlogica.
Ook maakt Dewael zich schuldig aan een autoriteitsdrogreden (argumentum ad vercundiam):“als gewezen minister van Cultuur vind ik het onaanvaardbaar dat een politicus zich mengt in de artistieke vrijheid van een museum…”. Het feit dat Dewael Vlaams minister van Cultuur is geweest, is in dit verband volstrekt irrelevant. Dat levert hem geen extra expertise op.

© 2008 R.G.M. Ritzen