Dijsselbloem en selective pleading

Volgens de commissie-Dijsselbloem is de kwaliteit van het onderwijs (in het rapport 150 keer genoemd, nul keer gedefinieerd) zorgelijk gedaald. De commissie stelt dat op onderdelen, waaronder enkele basisvaardigheden als lezen, rekenen en wiskunde, een zorgwekkend dalende trend zichtbaar is. En het PISA-onderzoek, waarin Nederland altijd goed scoort, is onbetrouwbaar, want het is niet representatief. Bovendien maakt CITO de vragen, dus is het geen wonder dat Nederland in de internationale ranglijsten altijd hoog scoort.
Analyse. Dijsselbloem maakt zich schuldig een ‘selective pleading’. De conclusie over het onderwijsniveau is namelijk helemaal niet zo eenduidig als de commissie doet voorkomen en volgt ook niet uit het ondersteunende deelonderzoek van (onder meer) prof. Borghans. In de analyse van de laatste staat dat de daling van het niveau tussen 2003 en 2006 niet significant is. Bovendien is er teveel onderzoek dat ook naar de andere kant wijst. Uit recent onderzoek blijkt dat het niveau van begrijpend lezen niet gedaald is (Sleegers, hoogleraar onderwijskunde). Uit de recente PPON-peilingen blijkt evenmin dat het niveau de afgelopen twintig jaar gedaald is. Van der Werf, de hoogleraar onderwijskunde die fervent tegenstander is van de onderwijsvernieuwing, kon op basis van haar onderzoek uit 2007 evenmin hard maken dat het niveau gedaald is.
Ondanks Dijsselbloems kanttekeningen bij dit soort onderzoek, berust één van de hoofdconclusies van de commissie vooralsnog op drijfzand. Dijsselbloems aantijging, dat Van der Hoeven en Ritzen het publiek misleid zou hebben (NRC 13.2.08), is zelf misleidend. De onderwijsraad concludeerde in een rapport in 2006 dat de basisscholen goed presteren: "88% van de basisscholen bereikt resultaten op of boven het niveau dat van ze verwacht mag worden". Ook stelde de raad dat, ondanks kritische kanttekeningen, "het Nederlandse onderwijs van behoorlijke kwaliteit is". Uit onderzoek uit 2005 naar achterstandsbeleid bleek dat in de periode 1988-2002 het onderwijsniveau van alle leerlingen was verbeterd.
Dijsselbloem merkt op dat de bewindslieden zich erg gretig op internationale ranglijsten beriepen, die echter onbetrouwbaar waren. Maar er waren dus veel meer positieve signalen.
Scheerens, hoogleraar onderwijskunde Universiteit Twente, merkt op dat de kritiek van een niet-representatieve steekproef slechts voor een van de vijf aangehaalde internationale onderzoeken geldt (het PISA onderzoek in 2000). “Overigens bleek die steekproef uiteindelijk wel representatief, al werd de te realiseren steekproefgrootte niet op de door de OECD voorgeschreven wijze bereikt. De feiten zijn verder dat Nederland bij elf betrekkelijk recente internationale peilingen, (driemaal PISA, 2000, 2003 en 2006, in de vakken lezen, wiskunde en natuurwetenschappen, en eenmaal TIMSS, 2003, in de vakken wiskunde en natuurwetenschappen), elf keer in de top tien van landen stond.”
Scheerens wijst de suggestie dat Nederlandse leerlingen goed presteren in de PISA onderzoeken, enkel omdat de toetsen nauw aansluiten bij het Nederlandse onderwijs, resoluut van de hand. Het vaststellen van de inhoud van de toetsen, stelt hij, “is een uiterst zorgvuldig proces dat wordt uitgevoerd door internationale commissies van deskundigen en waarbij door alle deelnemende landen met argusogen naar eventuele culturele vertekening wordt gekeken. De suggestie dat het CITO als deelnemer in het internationale consortium dat de toetsen ontwikkelt, dit naar zijn hand zou kunnen zetten, slaat nergens op.”

Naschrift (8.4.08): Borghans heeft inmiddels ook gereageerd op de conclusies van Dijsselbloem: "die zijn politiek" (NRC, 8.4.08). Ook Webbink, die ook als onderzoeker bij het rapport betrokken was, is duidelijk over de verlaging van het niveau in het onderwijs: "Er is daar geen feitelijke onderbouwing voor." (15.6.08) Inmiddels heeft Bronneman, die ook onderzoek heeft gedaan voor de commissie-Dijsselbloem, kritiek geuit op de conclusie van de commissie (zie op deze site 25/6).

© 2008 R.G.M. Ritzen