Ellian & De Wijk en de vertekening van een standpunt

‘De vrijheid van Wilders moet worden ingeperkt’. Deze kop staat boven de column van Rob de Wijk in Trouw (24.1.08). De Deense cartoonrel valt nog af te doen als een fatale inschatting van de effecten van de publicatie van een niet al te beste spotprent, aldus Van Wijk, o.m. hoogleraar Strategische Studies bij de Rijksuniversiteit Leiden. “Dit is in het geval van Wilders’ film niet mogelijk en rechtvaardigt de conclusie dat de PVV-voorman juist een crisis wil veroorzaken. Omdat de film een bewuste provocatie is, er nu al veel gedoe over is, en omdat er een politicus achter zit, is het denkbaar dat de internationale gevolgen groter zijn dan tijdens de cartoonrel. Voor de gemiddelde moslim heeft die film niets met de vrijheid van meningsuiting te maken, maar alles met belediging van Koran en Profeet. En dat wordt niet gepikt.”
“De actie van Wilders wordt pikant”, zo stelt Van Wijk verder, “als deze wordt getoetst aan de door het kabinet aanvaarde Nationale Veiligheidsstrategie. Volgens deze strategie is de nationale veiligheid in het geding als vitale landsbelangen zodanig worden geschaad dat sprake is van – potentiële – maatschappelijke ontwrichting. De vitale belangen zijn nauwkeurig omschreven.”
“De territoriale veiligheid is in het geding als extremisten naar aanleiding van Wilders’ film de aanslagen van 11 september 2001 dunnetjes in Nederland over willen doen. Economische veiligheid wordt geschaad als aanslagen tegen Nederlandse bedrijven worden gepleegd of regeringen sancties tegen ons afkondigen – een Iraanse parlementariër heeft dat al geopperd. De crux is de sociale en politieke stabiliteit van Nederland. Dit vitale belang is in het geding als een deel van de bevolking, mogelijk naar aanleiding van protesten in het buitenland, de straat op gaat. Toenemende spanningen en afnemend burgerschap gelden in de Nationale Veiligheidsstrategie expliciet als dreigingen.
Zo bezien heeft deze film weinig met de vrijheid van meningsuiting te maken. Volgens het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens mag die worden beperkt als de nationale veiligheid in het geding is. Het argument dat Wilders zijn film mag maken omdat dit vrijheid van meningsuiting is, houdt geen stand.”
Afshin Ellian reageert op deze column (Elsevier, 29.1.2008) met de veelzeggende titel
‘Rob de Wijk wil nota bene Wilders de mond snoeren!’ Volgens Ellian wenst de hoogleraar uit Leiden dat de politieke vrijheden van onwelgevallige parlementariërs worden opgeschort. “De democratische rechtsorde zal zo'n fundamentele aanslag op democratie en mensenrechten moeilijk overleven. En we kennen juist een nationaal veiligheidsconcept om die rechtsorde, de organisatie van onze samenleving, te beschermen. Het veiligheidsconcept is er ter bescherming van onze vrijheden, niets meer en niets minder.”
De redenering deugt ook op andere fronten niet, meent Ellian. “Geert Wilders is in de ogen van De Wijk een groot gevaar voor de nationale veiligheid. Logischerwijs moeten we vaststellen dat ook zijn fractie een groot gevaar is voor Nederland. Dus, van de 150 Kamerleden zijn er negen een gevaar voor de Nationale Veiligheid. En daardoor zijn er nog ruim 600.000 Nederlanders die als dreigingsbron moeten worden gezien.”
Ook De Wijks opmerking Ellian dat Wilders film weinig met de vrijheid van meningsuiting te maken heeft, schiet Ellian in het verkeerde keelgat. “Een onjuiste redenering. Juridisch fout. De vrijheid van meningsuiting kan worden beperkt door een wet in formele zin, dat wil zeggen, een wet die door de Staten-Generaal en de regering tezamen tot stand komt. Toegepast op Geert Wilders betekent dat, dat een wet die de Koranfilm verbiedt, door de Tweede en Eerste Kamer moeten worden goedgekeurd. Dit kan alleen achteraf. Want onze Grondwet verbiedt dit.”
De Wijk reageert vervolgens weer in Trouw (1.2.2008) met zijn column ‘Wilders’ film sterkt moslims juist in hun gelijk’. Over zijn intentie zegt hij het volgende: “Niet om die film direct te verbieden of om politieke vrijheden op te schorten van onwelgevallige parlementariërs, zoals Elsevier-collega professor dr. Afshin Ellian in mijn column meende te moeten lezen. Nee, ik stelde dat die film niet gemaakt mag worden door alleen maar een beroep te doen op de vrijheid van meningsuiting, maar dat ook de nu al zichtbare gevolgen voor de nationale veiligheid van belang zijn.”
Analyse. Er zijn dus twee versies in omloop. De Wijk heeft naar eigen zeggen niet geschreven dat hij de politieke vrijheid van onwelgevallige parlementariërs wil opschorten. Volgens Ellian wil De Wijk dat wel degelijk (“We moeten niet vergeten wat Rob de Wijk ons vraagt: het opschorten van politieke vrijheden van onwelgevallige parlementariërs.”). Vertekent Ellian het standpunt van De Wijk of loochent De Wijk ten onrechte wat zijn argument geïmpliceerd is?
Kunnen we met het stuk van De Wijk van 24.1 twee kanten op? De titel lijkt heel duidelijk: ‘De vrijheid van Wilders moet beperkt worden’. Er is dan sprake van een categorisch imperatief: er moet iets. De argumentatie in het stuk zelf is echter te karakteriseren als een hypothetisch imperatief: als je ‘x’ wil, dan moet je ‘y’ doen. Vertaald in termen die De Wijk hanteert: als je de nationale veiligheid niet wil schaden, moet je de vrijheid van Wilders inperken. Het verschil tussen een categorisch en een hypothetisch imperatief is dat alleen in het eerste geval er sprake is van een onvoorwaardelijk moeten. In het tweede geval, het hypothetische imperatief, is er sprake van een voorwaardelijk moeten: alleen als je ‘x’ wenselijk acht, is het redelijk, zinvol of geboden om ‘y’ te doen. Als je met de auto wilt rijden, dan moet je de sleutel in het contact steken. Daarmee is dus niet gezegd dat je met de auto moet rijden.
Terug naar De Wijk. Enerzijds kunnen we zeggen dat de titel niet in overeenstemming is met de argumentatie, maar we kunnen ook stellen dat de titel geïnterpreteerd moet worden in het licht van het stuk zelf. Het ‘moeten’ in de titel dienen we dan niet op te vatten in de ‘categorische zin’ van het woord, maar in de ‘hypothetische zin’. Als we uitgaan van de maximaal redelijke strategie, dan dienen we de titel te interpreteren in het licht van de rest van het stuk.
Of de weergave van Ellian terecht is, hangt dus af van de vraag hoe zwaar je de titel van het stuk laat wegen. De argumentatie van De Wijk is niet gericht op het inperken. Het punt is nu dat Ellian in zijn stuk nadrukkelijk ingaat op de argumentatie van De Wijk en in dat geval vertekent Ellian inderdaad het standpunt van De Wijk.
Ellian maakt zich bovendien schuldig aan een andere stroman. De redenering van De Wijk leidt volgens Ellian onverbiddelijk tot een hellend vlak: Wilders is gevaarlijk bezig, dus zijn fractieleden zijn een gevaar voor de nationale veiligheid, en dus zijn de kiezers van de PVV een gevaar voor de nationale veiligheid. Nergens in zijn stuk verwijst De Wijk naar de fractieleden of naar de kiezers van de PVV.

© 2008 R.G.M. Ritzen