Hanqin en de pathetische drogredenen

De Chinese ambassadeur in Nederland, Xue Hanqin, vindt dat de huidige discussie over de mensenrechtensituatie in haar land de gevoelens van het Chinese volk kwetst (VK, 17.1.2008). Hanqin acht het niet aanvaardbaar “het beeld van China in de westerse wereld met ongefundeerde beweringen te schaden”.
Hanqin heeft onlangs een gesprek gevoerd met de Nederlandse directeur van Amnesty International, Eduard Nazarski, en met Arjan Hamburger, de Nederlandse ambassadeur voor de mensenrechten. Uit dit gesprek komt naar voren dat de twee de grote inzet van China op het gebied van mensenrechten erkennen. Tevens erkennen ze de resultaten die daarbij zijn geboekt’, schrijft de ambassadeur.
Amnesty bevestigt dat dit gesprek heeft plaatsgevonden, maar geeft toch een ietwat andere lezing van de conclusie: ‘China is op sociaal-economisch terrein tot verbeteringen gekomen, al kunnen ook daar kanttekeningen bij worden geplaatst’, zegt een woordvoerder. ‘Maar als een verbetering wordt gesuggereerd op het terrein van de klassieke mensenrechten, dan klopt dat gewoon niet. China moet zich houden aan de standaarden die het land zelf heeft onderschreven, maar dat doet het niet.’
Analyse. Hanqin maakt zich schuldig aan de pathetische drogreden. De sentimenten van het publiek worden bespeeld door de mededeling dat door de discussie in Nederland (wel of niet boycotten van de Olympische Spelen) de gevoelens van twee miljard mensen gekwetst worden.
Die discussie kwetst niet alleen, maar er worden ook nog allerlei ongefundeerde beweringen gedaan. Als onafhankelijk bewijs wordt Amnesty opgevoerd. Bij navraag, zo blijkt uit het stuk in de Volkskrant, vertekent Hanqin het standpunt van Nazarski (Amnesty). Deze is helemaal niet van mening dat er in China sprake is van een verbetering op het gebied van de klassieke grondrechten.
Is hier sprake van een vertekening van een standpunt? Niet in strikte zin. Het punt is namelijk dat Hanqin niet rept over de klassieke mensenrechten, maar alleen over de sociale mensenrechten. Dat laatste type ziet op armoedebestrijding, verbetering van het milieu, onderwijs en gezondheidszorg etc.; het eerste type ziet op de vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst, vrijheid van vergadering etc. Kortom, de rechten die bewaken dat de overheid niet al te fanatiek ingrijpt in de privé van burgers. Over dat soort rechten zwijgt Hanqin. Maar het was en is wel de inzet van de discussie. Door enkel te wijzen op de sociale mensenrechten, vertekent Hanqin het standpunt.

© 2008 R.G.M. Ritzen