Mees en het verzinnen van een standpunt

Mees stelt in haar column (NRC, 11.1.2008) de rechtsgang over de handtastelijkheden van Lubbers aan de kaak. Er was een onderzoeksrapport verschenen waarin Lubbers beticht werd van handtastelijkheden. Max van der Stoel schreef een brief waarin hij dit onderzoeksrapport ‘bevooroordeeld’ noemde. De conclusies waren volgens hem onvoldoende of zelfs in het geheel niet onderbouwd. “Maar Max van der Stoel had geen enkele juridische positie om zich over het onderzoeksrapport uit te laten” aldus Mees. Volgens Lubbers had Annan Van der Stoel gevraagd, maar volgens Mees had Van der Stoel de brief op persoonlijke titel geschreven. Dat laatste bleek uit de verklaring van Brown (voormalig kabinetschef) en Haq (woordvoerder van Annan). Nadat Annan de Amerikaan Schwebel, oud-president van het internationaal gerechtshof, had geraadpleegd, werd het dossier gesloten. “Als Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen genoot Lubbers diplomatieke immuniteit. Gelukkig maar. Anders had hij het onderzoeksrapport bij de civiele rechter in Genève of New York moeten aanvechten. Een gewone rechter in Midtown Manhattan had ongetwijfeld minder geduld gehad met de codes en gebruiken van het old boys netwerk.”
Analyse. Mees maakt zich in haar column schuldig aan het verzinnen van een standpunt van, in dit geval, een rechter. Indien een civiele rechter in Manhattan zich over de kwestie zou hebben gebogen, zo stelt Mees, zou het oordeel over Lubbers heel anders hebben geluid. (Ik neem aan dat zij dit bedoelt met het vage “minder geduld gehad”.) Enig bewijs voor deze stelling levert Mees niet. Bewijzen (of ontkrachten) is overigens vrijwel onmogelijk. Deze zaak kan principieel niet in Manhattan voorkomen. Met evenveel gemak kan Lubbers dus roepen dat een rechter tot exact hetzelfde oordeel zou zijn gekomen als Schwebel.

© 2008 R.G.M. Ritzen