Van Essen en de vertekening van een standpunt

‘Mánnen vernielden onderwijs’, kopte het NRC (29.1.2008). Aan het woord waren prof. Minneke van Essen en UHD-er Greetje Timmermans. Drie dagen eerder schreef de econometrist Suzanne Dannenburg-Bijl een stuk over het afvallen van jongens in het VWO. In de rechterkolom naast het artikel van Dannenburg-Bijl werd een zevental deskundigen aangehaald die in de ogen van de redactie iets zinnigs gezegd hadden over de feminisering van het onderwijs. Van Essen & Timmermans reageerden op die pagina (dus die van 26 januari). Hun boodschap is helder: “Maar wat is dat eigenlijk, feminisering? Dannenburg-Pijl lijkt er uitsluitend de toename van het aandeel meisjesleerlingen onder te verstaan, impliciet gecombineerd met didactische werkvormen zoals samenwerken en een beroep doen op zelfstandigheid. Maar elders op dezelfde pagina betekent feminisering vooral dominantie van vrouwen voor de klas. Die hebben, als sprak het vanzelf, allemaal een softe, ‘typisch vrouwelijke’ didactisch-pedagogische aanpak, bestaande uit werkstukjes, projectjes, spreekbeurten en samenwerken in groepjes. Jongens aarden daarin slecht, et voilà, de zondebok is gevonden: het jongensdrama is de schuld van de vrouwelijke docenten.” Ten onrechte, aldus Van Essen & Timmermans. De focus op werkvormen is namelijk geen bedenksel van de jaren negentig. “D(i)e verschuiving wortelt in de jaren zestig, toen mannen het in Nederland nog volledig voor het zeggen hadden, en meer precies in de Mammoetwet van minister van Onderwijs Cals.” Toen, in 1968, begon het drama in het onderwijs!
Analyse. Op de betreffende pagina wijst niemand met een beschuldigende vinger naar vrouwelijke docenten. Laten we de citaten van de zeven deskundigen eens nalopen.
Jan Latten (CBS) stelde dat meisjes ijveriger zijn. Vervolgens kwam Van Essen zelf aan het woord. Daarna Karin Bügel (Cito), die stelde dat er géén bewijs is voor de feminisering van het onderwijs. Jelle Jolles (hoogleraar neuropsychologie) wees erop dat de Tweede Fase beter aansloot bij de langer ontwikkelde taalverwervingsstrategie van meisjes. José Groen (docente Nederlands) stelde dat er in de onderbouw van het VWO getoetst wordt op vaardigheden die jongens in de leeftijd van twaalf tot vijftien jaar in aanleg weinig bezitten en onvoldoende worden aangeleerd. Onderwijspsycholoog Leo Prick wees op het gevolg van de verdwijning van de mavo. Gerda Geerdink (onderzoekster) liet zien dat jongens eerder stoppen op de Pabo, omdat ze worden geconfronteerd met een didactiek die ze niet slikken.
De priemende vinger richting vrouwelijke docenten is op die hele pagina niet te vinden en komt alleen uit de kokers van Van Essen & Timmermans. Iets academischer, er is sprake van een stroman.
Voor alle duidelijkheid: hiermee is uiteraard niet gezegd dat de stelling van Van Essen & Timmermans onjuist is. Dat ze hun stelling niet onderbouwen, maakt deze noch onjuist, noch onwaar. Wel is het zo dat deze auteurs iets aanvallen dat door niemand verdedigd wordt. In die zin draagt hun analyse op deze plek niets bij aan de discussie. Sterker nog, de discussie wordt erdoor vertroebeld.

© 2008 R.G.M. Ritzen