Van Egmond en het verschuiven van de bewijslast

Klaas van Egmond is sinds januari 2008 fulltime hoogleraar milieukunde in Utrecht. In een interview in De Pers (21.1.2008) wordt hem de vraag gesteld of hij in reïncarnatie gelooft. “Dat is een zinnige hypothese, al kan ik het niet bewijzen”, antwoordt Van Egmond. “Er zijn enorm veel gevallen bestudeerd die op reïncarnatie wijzen. Wie zich daar in verdiept, moet met hele gekunstelde theorieën komen om die te ontzenuwen.”
Analyse. Met name met de laatste zin gaat Van Egmond in de fout. Waarom zou iemand met theorieën moeten komen om gevallen van reïncarnatie te ontzenuwen? Wie stelt, bewijst. Maar Van Egmond draait de bewijslast 180 graden om. Hij wil de ander het ‘vuile argumentatiewerk’ laten doen. Dat is alleen correct als de ene beweert dat reïncarnatie wel bestaat en de andere partij dat betwist. Dan is er, om in termen van Van Eemeren te spreken, sprake van een gemengd geschil. Dan moeten beide partijen bewijzen. Maar in dit geval stelt Van Egmond iets (reïncarnatiegevallen bestaan) en sommeert hij de andere partij min of meer om die te ontzenuwen. Daarmee verschuift hij ten onrechte de bewijslast.

© 2008 R.G.M. Ritzen