BON en de stroman, ad hominem, ontduiken, valse analogie, pathetische drogreden etc.)

De kritiek op de commissie-Dijsselbloem van de filosoof Grahame Lock (hoogleraar wijsbegeerte van de managementwetenschappen) is tegen het zere been van BON-lid Willem Smit (BON). Een aantal BON-leden vindt de bijdrage van Lock wel interessant en dat levert de volgende tirade van Smit op: “Ik sta paf. Zoveel bijval voor zoveel verwaten goeroetische onzin & "buzzwords". Dijsselbloem moet eerst zijn begrippen definieren: kwaliteit, onderwijs enz.? Waar hebben we dat vaker gehoord? Juist, bij de hier vaak versmade Ron Ritzen. In alle landen daalt het niveau? Uit de mouw geschudde onzin. Sinds wanneer behoren "standaarden, toetsen, controles" tot het managersjargon? Maar eigenlijk is er geen zin waarop niets is aan te merken, dus daar begin ik niet aan.”
Analyse. Inhoudelijk bewijst Smit helemaal niets. Wel lanceert hij een persoonlijke aanval (“verwaten goeroetische onzin” en “uit de mouw geschudde onzin”) en een pathetische drogreden (“ik sta paf”). De retoriek die achter dit soort noties schuilt, is dat het hier niet louter om een meningsverschil gaat, maar dat de mening van Lock volstrekt absurd is. Zo absurd dat Smit paf staat over zoveel bijval. Dat standpunt wordt verder nergens onderbouwd. De drogreden zit in het feit dat het in de plaats komt van het argument.
Verder maakt Smit zich schuldig een stroman. Lock vraagt namelijk nergens om een definitie van ‘onderwijs’. Zie hier de poging om Lock weg te zetten als een wereldvreemde professor in de wijsbegeerte die niet eens weet wat men met ‘onderwijs’ bedoelt. Wat schreef Lock dan wel? Dijsselbloem moet een definitie van ‘deugdelijk onderwijs’ geven. Uit de context blijkt dat het Lock met name om het woord ‘deugdelijk’ gaat.
Het feit dat ik (=Ritzen) ook gevraagd heb om een definitie van 'kwaliteit', is weer een minpunt voor Lock. De clou zit in de "hier vaak versmade Ritzen". De analogie is dat Ritzen ook om een definitie vraagt en 'versmaad is', en dat Lock ook om een definitie vraagt en dus ook 'versmaad' moet worden. Het is echter een valse analogie, omdat de contekst waarin Lock die vraag stelt van een totaal andere aard is dan de contekst waarin ik die vraag stel.
Vervolgens ontduikt Smit de bewijslast door te beweren dat er “geen zin is waarop niets is aan te merken, dus daar begin ik niet aan.” Het woordje ‘dus’ suggereert een pseudologica en dat zou een rechtvaardiging moeten opleveren om dan maar niets inhoudelijk te bewijzen. Smit heeft nog steeds helemaal niets bewezen of zelfs maar aannemelijk gemaakt.
Al met al wordt Lock, die ook aan de universiteit van Oxford doceert, weggezet als iemand die niets weet van het onderwijs in Engeland, maar enkel onzin uit zijn mouw schudt. En verder kent deze hoogleraar ‘filosofie van de managementwetenschappen’ niet eens de basale managementbegrippen. Waaruit blijkt dit alles? Bij Smit blijkt dat nergens uit. (Maar wel knap dat Smit uit negen zinnen zoveel drogredenen weet te persen en vervolgens niks beweert.)