De Wever en het opblazen van een vooronderstelling

Bart de Wever, voorzitter van de Nieuw-Vlaamse Alliantie, werd in Terzake (Canvas, 14.3.08) door Emmanual Rottey en Lisbeth Imbo aan de tand gevoeld over zijn standpunt over de federale kieskring. Veel NVA-kiezers zijn daar voor, maar hun voorman, De Wever, niet. Volgens Lisbeth Imbo was het toch niet meer dan democratisch om zich aan dat standpunt te conformeren, zeker als je jezelf zo nadrukkelijk profileert als democratisch. De Wever zag dat net even anders: Imbo heeft een rare definitie van democratie (14.3.08 vanaf 18:31). Democratie betekent niet dat je een standpunt moet aannemen als iedereen daar voor is. Kenmerkend voor een democratie is respect voor minderheidsstandpunten. Bovendien, al stond iedereen achter dat idee, dan betekent dit volgens De Wever nog niet dat dit idee goed is. Meteen daarna verwees hij naar Galileo, die als enige meende dat de aarde rond was. “Maar hij had wel gelijk.”
Analyse. Op zich heeft De Wever gelijk als hij zegt dat als iedereen een idee omarmt, dat dit idee daarom nog niet goed is. Dat is immers een argumentum ad populum. Maar was De Wevers weerwoord wel relevant? De Vlaamse schone beweerde niet dat het idee goed was. Ze stelde enkel de vraag of iemand die zichzelf prominent democratisch noemt, zijn oor niet te luister moet leggen bij die meerderheid. Maar daarmee is nog niet gezegd dat het idee dus goed is. De Wever blies in dit geval ten onrechte een vooronderstelling op.
Ook zijn verwijzing naar de democratie en het standpunt van minderheden was in dit verband niet relevant. De ruimte voor standpunten van minderheden valt niet onder de categorie ‘democratie’, maar onder de categorie ‘grondrechten’. De democratische rechtsstaat bestaat uit vijf categorieën, namelijk democratie, rechtsbescherming, grondrechten, machtsverdeling en het legitimiteitbeginsel. Wat De Wever doet is de categorie ‘democratie’ gelijkstellen met de algemene categorie ‘democratische rechtsstaat’. ‘Democratie’ is echter een subcategorie van de hoofdcategorie‘democratische rechtsstaat’. In deze zin opgevat maakt De Wever zich schuldig aan een categoriefout. (Maar toegegeven, e.e.a. hangt af van de definitie van de begrippen. En misschien verstaat De Wever onder het staatsrechtelijk begrip ‘democratische rechtsstaat’ ‘democratie’. De definitie die ik hanteer, is natuurlijk ook niet heilig.)
(Terzijde: de opmerking over Galileo was een blunder van de eerste orde van De Wever, die overigens van origine historicus is. Ten tijde van Plinius de Oudere (eerste eeuw na Christus) werd de idee van een bolvormige aarde onder westerse geleerden algemeen aanvaard. Ook Ptolemaeus tekende zijn kaarten volgens het idee van een bolle aarde. Zijn geschriften bleven gedurende de Middeleeuwen de basis van de Europese astronomie. Alleen gedurende de Late Oudheid en Vroege Middeleeuwen (van ongeveer de 3e tot de 7e eeuw) waren de argumenten voor een platte aarde nog gangbaar. Voor de Late Middeleeuwen geldt dat zeker niet!
Het onjuiste idee dat mensen ten tijde van de ontdekkingsreizen geloofden dat de aarde plat was ontstond waarschijnlijk na het verschijnen van Irvings Leven en Reizen van Christoffel Columbus uit 1828. Anderen wijten dit idee aan kerkhater Draper (1811-1882) en weer anderen aan de oprichter van de Cornell University, White (1832-1918). Maar noch bij Voltaire, noch bij Diderot, noch bij Kant, noch bij Hume vindt men het misverstand (“middeleeuwers dachten dat de aarde plat was”) terug. Wel bij de historicus De Wever.
De controverse rondom Galileo heeft niets te maken met het idee dat de aarde niet plat was. Toen hij in 1609 de beste telescoop tot dan toe construeerde, betekende dit – achteraf gezien - een enorme vooruitgang in de wetenschap. Met zijn telescoop ontdekte de vijfenveertigjarige professor in de wiskunde dat het maanoppervlak reliëf vertoonde en dat de Melkweg uit een heuse zee van sterren bestond. Verder ontdekte hij de schijngestalten van Venus en de vier manen van Jupiter. Daarmee legde hij de grondslag voor een nieuwe kosmologie die volledig indruiste tegen de in die tijd gangbare aristoteliaanse kosmologie.
In 1610 legde Galilei zijn ontdekking vast in de Siderius Nuncius, die hij opdroeg aan de groothertog van Toscane, Cosimo II de Medici. Die opdracht was niet toevallig: het was een doelgerichte en uitstekend getimede poging om via de Toscaanse groothertog zijn opvatting meer status te verlenen. De roem van De Medici stond immers borg voor succes. De opzet slaagde, want een jaar later mocht Galilei zichzelf Florentijns hoffilosoof en wiskundige noemen.
De vraag is waarom Galilei de universiteit van Padua verliet? De universiteit stond zeker niet slecht aangeschreven. Wetenschapshistoricus Biagioli meent dat Galilei’s zucht naar intellectuele erkenning hem naar het hof van De Medici dreef. Aan de universiteit overheerste het aristotelisme. Volgens deze opvatting diende men de natuur niet te bestuderen met behulp van instrumenten. Daar wilde men niets wilde weten. Toegepaste wiskunde als astronomie, optica of mechanica stonden dan ook in laag aanzien vergeleken bij de theologie en de filosofie. Maar Galilei wilde naam maken (of in elk geval serieus genomen worden) en hij realiseerde zich al snel dat hij dan filosoof moest worden. De benoeming in Florence maakte het de Aristotelianen onmogelijk zijn opvattingen te negeren, meent ook wetenschapsjournalist Van Delft. Zijn benoeming aan het hof had overigens ook schaduwzijden. In disputen werd de hoffilosoof geacht snel een standpunt in te nemen, want de eer van zijn beschermheer stond op het spel. De vraag of een standpunt wetenschappelijk verantwoord was, bleek van secundair belang. Dialogen waren meer in trek dan verhandelingen; geestige antwoorden hadden de voorkeur boven technische. Ook was Galilei niet vrij om al zijn standpunten onder de aandacht te brengen. Met name zijn opvatting over het copernicanisme waren veel te controversieel. Het hof van De Medici was, gezien de opstelling van de kerk, geenszins van plan om zijn vingers aan dit onderwerp te branden. Via het Medici-netwerk poogde Galilei ook de paus, immers de machtigste beschermheer, voor zich te winnen. In eerste instantie leek Galilei’s strategie succesvol. In 1611 kreeg hij aan de jezuietenuniversiteit een warm onthaal, maar in 1616 verbood de congregatie van de Index hem de leer van Copernicus te verdedigen. Toen kardinaal Barberini, een vriend van Galilei, tot Paus Urbanus VIII werd gekozen, leek Galilei’s tactiek alsnog te slagen. Maar met het verschijnen van Dialogo bleek Galilei zijn manoeuvreerruimte te optimistisch te hebben ingeschat. In dit boek, dat in 1632 verscheen, vergeleek hij de stelsels van Copernicus met die van Ptolemeus, waarbij hij ondanks de ban van 1616 onverbloemd koos ten gunste van de opvattingen van Copernicus. Ook het feit dat Galilei het denkbeeld van de Goddelijke almacht door de minst snuggere figurant uit het boek liet verdedigen, viel bij Urbanus zeer slecht. In 1633 was het dan ook zover: Galilei werd beschuldigd van ketterij en moest in het openbaar het Copernicanisme afzweren.
Biagioli laat een andere Galilei zien dan De Wevers heroïsche en compromisloze strijder voor wetenschappelijke waarheid, namelijk de intelligente berekende wetenschapper die vaak zeer nauwkeurig wist waar hij wat precies moest zeggen.)
(Zie voor drogredenen van politici ook: Delwael, Dijsselbloem & Verdonk)

© 2008 R.G.M. Ritzen