Gill, Gooszen en de autoriteitsdrogreden?

De probioticastudie uit Utrecht waarbij onverwacht veel mensen stierven, had volgens de wiskundige Richard Gill (Universiteit Leiden) veel eerder moeten stoppen. Met fiks rekenwerk toont deze hoogleraar statistiek aan, dat “gestopt moest worden, omdat er geen kans meer was om aan te tonen dat de probiotica effectief waren.” Gill krijgt bijval van Schouten (RL), die specialist is op het gebied de statistische methode die de Utrechters gebruikten: “Gill heeft gelijk.” De onderzoekers hanteerden een tweezijdige toets, maar de juiste methode die in dit geval toegepast had moeten worden, was een eenzijdige toets, aldus Gill.
De onderzoeksleider van de probioticastudie, hoogleraar chirurgie prof. Gooszen, deelt die kritiek niet: “Ik waag het (gelijk van Gill en Schouten, RR.) te betwijfelen. Het is hun mening tegenover de onze.” Waarom twijfelt Gooszen aan het gelijk van Gill en Schouten? De epidemiologen die de statistiek hebben gedaan zijn mensen “met lange lijsten Lancetpublicaties” en zij zijn ervan overtuigd dat de juiste methode gevolgd is. Exit Gill, althans in de ogen van Gooszen.
Analyse. Zowel Gill als Schouten betogen dat de tweezijdige toets niet toepasbaar is. Als Gooszen van mening is, dat deze methode wel bruikbaar is, dan had hij moeten argumenteren waarom Gills bewering onjuist is. Wat doet Gooszen echter? Hij wijst enkel op de autoriteit van de epidemiologen en hun lange lijst van publicaties in een gerenommeerd tijdschrift, The Lancet.
De balans is dan als volgt: tegenover de inhoudelijke analyse van Gill staat een beroep op een aantal betrokken experts, die een bepaalde overtuiging hebben (namelijk dat in de studie de juiste methode gebruikt is).
Nu is Gooszens beroep op die autoriteit nog niet per definitie een autoriteitsargument, maar het is wel in zwak argument. In een studie van Oostenrijkse statistici werden de artikelen die in 2004 in het meest invloedrijke medisch-wetenschappelijke tijdschrift van dit moment (The New Journal of Medicine) waren verschenen, gescreend op statistische fouten. De conclusie was onthutsend: bij één op de zes studies werd een onjuiste of suboptimale statistische test gehanteerd. Daarmee is weliswaar de autoriteit van de betrokken epidemiologen nog niet aangetast, maar de repliek van Gooszen (“hun mening tegenover de onze”) verliest wel haar retorische kracht.
Wat blijft over? Al met al staat de inhoudelijke analyse van Gill tegenover de overtuiging van de epidemiologen. Exit Gill? Nee, dan toch eerder exit Goozsen.
Gooszen stelt ook nog dat Gill zich baseert onbruikbare cijfers, maar wat er precies mis is met de door Gill gehanteerde cijfers, vermeldt Gooszen niet.

© 2008 R.G.M. Ritzen