Van Haersma Buma en de vrijheid van meningsuiting

Hoogleraar Paul de Beer is voorstander van de afschaffing van de grondwettelijke vrijheid van godsdienst en levensovertuiging (Socialisme & Democratie, nr. 10, 2007). Volgens hem is de vrijheid van levensovertuiging al voldoende gewaarborgd door de vrijheid van meningsuiting en het verbod op discriminatie. Van Haersma Buma, jurist en Tweede Kamerlid voor het CDA, deelt die mening niet. “Die stelling heeft gevaarlijke consequenties, namelijk dat het hebben van een levensovertuiging minder beschermd is dan het beledigen van die overtuiging en dat de staat op basis van artikel 1 van de Grondwet vergaand mag gaan ingrijpen in godsdienstige gebruiken. Buiten Saoedi-Arabië en Iran zijn er niet veel landen waar de opvatting van De Beer zal worden ondersteund.” (VK, 29.5.08)
Analyse. Van Haersma Buma wijst De Beers pleidooi af omdat de consequenties gevaarlijk zijn. Maar helder wordt zijn standpunt niet. De beperking van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, art. 6 lid 1 Grondwet, (…behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet) is echter exact dezelfde als die in art 7 lid 1 Grondwet (vrijheid van meningsuiting). Alleen in de uiteindelijke invulling van die beperkingen zit enig verschil. Bij art. 7 Grondwet gaat het met name om beperkingen die vooral in het Wetboek van Strafrecht te vinden zijn. Dat hangt samen met het betreffende onderwerp.

© 2008 R.G.M. Ritzen