Zuurmond, Kuitenbrouwer en de inbreuk op het huisrecht

Mr. F. Kuitenbrouwer. © 2008 R. Ritzen

Frank Kuitenbrouwer, medewerker van NRC Handelsblad en panellid van het legendarische radioprogramma Welingelichte Kringen, plaatst een aantal kanttekening bij huisbezoeken bij lieden die mogelijkerwijs ten onrechte een uitkering genieten (NRC, 18.3.08). Hij heeft daarvoor een fiks aantal argumenten. Zowel de Ombudsman van Amsterdam als die van Rotterdam hebben zich (zeer) kritisch uitgelaten over de huisbezoeken. Rechters hebben instanties teruggefloten (de Sociale Verzekeringsbank in Den Haag vanwege huisbezoeken; het interventieteam in Zeist). Het NJCM Bulletin, een tijdschrift voor mensenrechten, hekelde in een commentaar de ‘frontlijnfilosofie’ achter de interventieteams.
Kuitenbrouwer vraagt zich af of het echt nodig is de wet op het huisbezoek te verruimen, zoals een aantal politici wil als ze geconfronteerd worden met kritiek op deze inbreuk. “De Nederlandse rechtspraak erkent al jaren huisbezoeken als een noodzakelijk en adequaat controle-instrument. Maar dan wél met minimale waarborgen voor de persoonlijke levenssfeer en een eerlijke behandeling, zoals vereist door het Europees verdrag voor de mensenrechten. Politici willen echter niets weten van deze signalen en azen op meer bevoegdheden en controlemogelijkheden.”
Zuurmond, hoogleraar Bestuurskunde aan de TU Delft, reageert op het stuk van Kuitenbrouwer (NRC, 20.3.08). Hij verwijt Kuitenbrouwer dat deze over het hoofd ziet dat er een zekere spanning zit tussen de klassieke grondrechten en de sociale grondrechten. “Het (huisrecht) is een klassiek grondrecht, nog stammend uit de tijd dat de burgers hun zelfstandigheid ten opzichte van de staat moesten bevechten. De almachtige koning (l’etat c’est moi) speelde voor wetgever, politie en rechter tegelijk” stelt Zuurmond.
“Dit was ook de tijd van de nachtwakersstaat: de burger kon geen beroep doen op onderwijs of uitkeringen. De sociale grondrechten zijn van veel later datum en wat Kuitenbrouwer over het hoofd ziet is dat er een zekere spanning zit tussen de klassieke grondrechten en de sociale grondrechten. Hoe vervelend we het ook vinden, maar bij sociale grondrechten ligt grootschalig misbruik op de loer. De overheid heeft het recht maar ook de morele plicht om de rechtmatigheid van uitkeringen uitgebreid te controleren. Huisbezoeken zijn daarvan een vanzelfsprekend onderdeel. Deze zouden niet alleen op basis van vermoedens tot fraude moeten plaatsvinden, maar standaard bij elke uitkeringsaanvraag.”
In België, zo merkt Zuurmond op, volgt op een inschrijving in het bevolkingsregister steevast een bezoek van de politie. Er zitten zoveel rechten verbonden aan een inschrijving in dat register (recht op uitkering, recht op stemmen, etc.), dat onze zuiderburen hier voorzichtig mee omgaan.
De controleprocedure werkt ook: de inschrijvingen op 4.800 dubieuze adressen liep met 80 procent terug nadat men risicogestuurd ging handhaven. Ondanks de geweldsincidenten aan balies van de sociale dienst die ontstonden omdat uitkeringen werden ingetrokken, stonden de medewerkers van de sociale dienst vierkant achter de harde aanpak.
“De gemeente heeft door het opzetten van het programma 'hoogwaardig handhaven' ervoor gezorgd dat de inwoners van haar stad weer weten dat democratisch afgesproken normen ook voor iedereen gelden. Dat is fors anders dan tien jaar geleden. Toen was de stad een magneet en een vrijstaat voor tuig. Dat tuig terroriseerde de stad, wat zich uitte in veel geweldplegingen en inbraken. Daardoor wisten steeds meer burgers wat het was om een inbreuk te ondergaan op de integriteit van het lichaam of het huisrecht. De staat kwam in die tijd niet binnen, maar inbrekers wel.”
“In mijn beleving verliest de democratische rechtsstaat zijn legitimiteit als hij zich laat leiden door een verabsoluteerd, formeel juridisch geïnterpreteerd huisrecht (onderdeel van het recht op privacy), terwijl hij de ogen sluit voor rechtschendingen die ontstaan door het te strikt vasthouden aan privacy. De staat moet mijns inziens niet alleen een afweging maken tussen klassieke en moderne grondrechten. Hij moet met name een evenwicht vinden tussen de mate waarin hij als staatinbreuk maakt op die klassieke grondrechten en de mate waarin daarvan afzien leidt tot geweld en inbreuken op die grondrechten door burgers onderling.”
Analyse. Kuitenbrouwers betoog komt erop neer dat (1). er signalen zijn die wijzen in de richting dat de huisbezoeken een te vergaande inbreuk op het huisrecht vormen. Die signalen zijn rechterlijke uitspraken, twee uitspraken van ombudsmannen en een commentaar in een gezaghebbend tijdschrift. (2) Daarnaast merkt Kuitenbrouwer op dat politici desondanks meer bevoegdheden willen.
Ziet Kuitenbrouwer hierbij over het hoofd dat er een spanningsverhouding bestaat tussen klassieke en sociale grondrechten, zoals Zuurmond stelt? Het antwoord is ontkennend en wel om een logische reden. Kuitenbrouwer heeft het helemaal niet over sociale grondrechten. Zuurmond hanteert die term erg ongelukkig, want sociale grondrechten betreffen inspanningsverplichtingen van de overheid op bepaalde terreinen. Er is geen inspanningsverplichting van de overheid om ontvangers van sociale uitkeringen op een huisbezoek te trakteren.
Maar los hiervan doelt Zuurmond op het feit dat een verdergaande inbreuk op het huisrecht dan nu toegestaan is, wenselijk is. De argumentatie is daarbij (1). dat de overheid een morele plicht heeft de rechtmatigheid van aanvragen voor sociale uitkeringen te controleren, (2). dat verdergaande inbreuken op het huisrecht effectief zijn en (3). dat burgers profijt hebben van deze controles.
Strikt argumentatief ondersteunen de premissen (1) en (3) de conclusie niet. Het zijn premissen die de conclusie ondersteunen dat een inbreuk op het huisrecht mogelijk moet zijn. Daarom voegt Zuurmond, die het gaat om een verdergaande inbreuk dan nu mogelijk is, premisse (2) toe. De onderbouwing (of rechtvaardiging) van die premisse lijken we te moeten vinden in Zuurmonds stellingname tegen een verabsoluteerd, formeel juridisch geïnterpreteerd huisrecht (onderdeel van het recht op privacy), waarbij de ogen gesloten worden voor rechtschendingen die ontstaan door het te strikt vasthouden aan privacy. Maar wie verkondigt een dergelijk standpunt? Wie valt hij eigenlijk aan? Is er iemand die een pleidooi houdt voor een verabsoluteerd huisrecht? Kuitenbrouwer zeker niet, want hij valt niet de Nederlandse rechtspraak aan, die al jaren huisbezoeken als een ‘noodzakelijk en adequaat controle-instrument’ erkent. Kuitenbrouwer merkt enkel op dat ook daar steeds met nadruk de minimale waarborgen voor de persoonlijke levenssfeer en een eerlijke behandeling (zoals vereist door het Europees verdrag voor de mensenrechten) in acht worden genomen.
Feitelijk valt Zuurmond een fictieve tegenstander aan.

© 2008 R.G.M. Ritzen