Mees en nog meer vertekeningen van een standpunt

Mees’ column zijn, moet ik eerlijk toegeven, een goudmijn voor deze site. In haar tweewekelijkse stuk in het NRC zit bijna altijd wel een drogreden (zie de andere stukjes over Mees). Op vrijdag 7 maart 2008 was het weer zover. Het onderwerp van haar artikel is de verkrachting van vrouwen. “Tijdens de genocide in Rwanda was verkrachting van vrouwen eerder regel dan uitzondering. Toch werd slechts bij toeval – en pas in tweede instantie – seksueel geweld meegenomen in de aanklachten van het Rwandatribunaal. Dat gebeurde toen een Rwandese vrouw bijna terloops voor het tribunaal verklaarde dat zij en andere vrouwen voorafgaand aan de moordpartij waren verkracht. Een oplettende – vrouwelijke – rechter vroeg hierop door, en onthulde zo de enorme schaal van het seksuele geweld tegen vrouwen. Door het Rwandatribunaal werd verkrachting voor het eerst als een mogelijke daad van genocide omschreven.”Gerdie van den Bergh stoort zich aan Mees’ stuk. “In bovenstaand artikel wordt door Heleen Mees onterecht de indruk gewekt dat verkrachting van vrouwen geen aandachtspunt was in het opsporingsbeleid van het Rwanda Tribunaal.” Van den Berg was, zo meldt zij, in 1996, kort na de start van het tribunaal, 9 maanden in Rwanda als onderzoeker/rechercheur bij zaak ‘Akayesu’. Zij kwam in een opsporingsorganisatie terecht die 250 verdachten van genocide moest onderzoeken in 10 jaar tijd, met 800.000 slachtoffers, slechte logistieke ondersteuning en met slechts 35 internationale onderzoekers. ”Ik weet uit ervaring en door navraag bij collega’s dat in verhoren wel degelijk vanaf de start van de onderzoeken in 1995 er naar gevraagd is, maar dat vrouwen ontkenden slachtoffer van verkrachting te zijn geweest.””Het beeld dat in het artikel geschetst wordt dat pas op de rechtzitting door een oplettende rechter werd doorgevraagd en daarbij de enorme schaal van seksueel geweld tegen vrouwen werd onthuld is dus absoluut onjuist. Het doet de inspanningen van de onderzoekers die deze zaak hebben voorbereid ernstig tekort. Daarnaast wordt er een beeld opgeroepen van onwil of desinteresse bij het tribunaal, zonder de uiterst precaire situatie waaronder opsporingswerk in dergelijke landen plaatsvindt in ogenschouw te nemen.”
Analyse. Als Gerdie van den Berg inderdaad ooggetuige was van en medewerker was aan het onderzoek, dan vertekent Mees andermaal de kwestie. De kritiek van Van den Berg is dan ook terecht.

© 2008 R.G.M. Ritzen