't Hart en zijn onjuistheden en leugens

’t Hart heeft zich na het lezen van Derksens boek over Lucia de B., begin 2006, publiekelijk uitgelaten over deze gerechtelijke dwaling (NRC, 6 april 2006). Maar hij wist al veel eerder, namelijk toen de zaak ‘Lucia de B.’ voor de eerste keer voorkwam, dat de medische diagnose van toxioloog De Wolff niet deugde en ook wist hij dat de statistische berekening van Elffers fout was. Elffers, zo meldt ’t Hart terloops, is niet eens een statisticus. Maar omdat hij hoorde dat Derksen een boek aan het schrijven was, dacht hij: “als dat boek er eenmaal is, zal de zaak terstond herzien worden” Daarom hield hij verder zijn mond. Nu heeft hij behoorlijk de pest in dat hij niet eerder is gaan roepen, schrijft hij. Nadat hij geroepen had dat het statistische bewijs onzin was, hebben statistici als Gill, Groeneboom, Grünwald en vele anderen de statistiek in de zaak afgedaan als volslagen belachelijk. Juristen zeggen weliswaar dat de statistiek geen rol speelde in de veroordeling, maar dat is totale onzin. Want, zo stelt ’t Hart, het zogenaamde schakel- of kettingbewijs is ook een vorm van statistiek en volkomen terecht heeft Nobelprijswinnaar Gerard ’t Hooft deze impliciete statistiek gegispt.
En wat de toxicoloog prof. De Wolff betreft, weet ’t Hart te melden dat De Wolff zijdelings de toxicologie is ingerold, want dat was niet zijn studierichting. Bij een competentiestrijd tussen zijn afdeling toxicologie en die van Groningen heeft hij het onderspit gedolven. Prof. Uges heeft voor Lucia de B. ten aanzien van de digoxinevergiftiging ontlastende verklaringen afgelegd. Maar die verklaringen worden door De Wolff bestreden, “omdat hij Uges haat.” Had men destijds niet De Wolff, maar Uges gehoord, dan was Lucia niet veroordeeld, aldus ’t Hart. De Wolff is sowieso “geen objectieve deskundige, maar een verlengstuk van het OM”.
Analyse. ’t Hart profileert zich hier als universele geleerde: op toxiologisch gebied wist ’t Hart van meet af aan dat de toxicoloog prof. De Wolff fout zat. Wat de statistische analyse van Prof. Elffers betreft, was de zaak ook al meteen helder: die deugde niet. Nadat ’t Hart dit kenbaar gemaakt had, heeft een aantal statistici dat later bevestigd (maar let op: ’t Hart zag dat meteen en zelfs zonder berekening.) Ook op het gebied van rechten hoeft men ’t Hart niets te vertellen: juristen zeggen wel dat de statistiek geen rol speelde in de veroordeling, maar dat is “totale onzin”. Het schakelbewijs is namelijk een vorm van statistiek. En als men een andere expert dan De Wolff in deze rechtzaak had geraadpleegd, weet ’t Hart, was Lucia niet veroordeeld. En passant maakt ’t Hart ook nog even een sociologische analyse van de sexe-ongelijkheid in het Nederlandse gevangeniswezen.
Op het betoog van de mathematicus, toxicoloog, jurist en socioloog Maarten ’t Hart is wel iets af te dingen. Zoals de bewering dat Elffers geen statisticus is. Notoire onzin. Elffers is afgestudeerd in de mathematische statistiek. En wat te denken van de bewering dat statistici de statistiek hebben afgedaan nadat ’t Hart in de uitzending van Pauw & Witteman (14.9.2006) riep dat de statistische analyse niet deugde. Groeneboom schrijft over zijn belangstelling het volgende: “Ik heb de rechtzaak van Lucia de B. nu enkele jaren gevolgd. In dit kader heb ik bijvoorbeeld op 2 april 2004 een discussiemiddag op de Vrije Universiteit, georganiseerd door de Nederlandse Vereniging voor Statistiek, bijgewoond.”
Kennelijk is een en ander bedoeld als verborgen weerwoord naar aanleiding van de kritiek van rechtspsycholoog prof. Van Koppen. Die schreef in het NJB (11.1.08, nr.2 p. 99) dat ’t Harts advertentie om Lucia de B. vrij te krijgen een volksgericht in een modern jasje was, “hoe goed Maarten ’t Hart het ook bedoelt. (…) Het is weliswaar geen lynchparty, maar wel een groep slecht geïnformeerde burgers, die om vrijlating roept.” Na lezing van ’t Harts stuk moet het wel duidelijk zijn: die kritiek slaat niet op allesweter ’t Hart, want die wist het niet alleen allemaal al, maar ook eerder en beter dan wie ook. Vervolgens sleept ’t Hart Nobelprijswinnaar Gerard ’t Hooft er nog even bij om zijn juridische expertise te ondersteunen. De slimme natuurkundige heeft ook zoiets geroepen, dus dan moet het wel waar zijn. ’t Hart prijst zichzelf de hemel in en ontvangt daarvoor nog een gage van het NRC. Dat is natuurlijk wel weer slim.
Dat roept de vraag op waarom het NRC ’t Hart voor een artikel betaalt dat overigens over ’t Hart, ’t Hart, ’t Hart en nauwelijks over Lucia ging. Wij laten de wiskundige prof. Groeneboom hierover aan het woord: “De NRC lijkt zich trouwens te specialiseren in onjuiste en tendentieuze berichtgeving over deze zaak. (…) Voor de volledigheid volgen hier nog wat opmerkelijke uitspraken in het artikel van journaliste Joke Mat over de tweede statisticus: Meer succes boekte het OM met een statisticus. Deze berekende dat de kans dat De B. bij toeval betrokken was bij alle sterfgevallen die zich tussen 1997 en 2001 tijdens haar diensten voordeden, 1 op de 342 miljoen bedroeg. Een tweede statisticus, opgeroepen door de rechtbank, bevestigde dit. Geen bewijs van schuld, stelt de rechtbank, maar wel een belangrijke aanwijzing.”
De tweede statisticus, zo blijkt later, moest enkel het bewijs van Elffers uitleggen. En bovendien was ook die tweede géén specialist. Joke Mat had haar huiswerk dus niet goed gedaan.
Als het goed is, heeft u mijn bovenstaande analyse tenenkrommend gevolgd. Want argumentatief deugt dat stuk natuurlijk voor geen meter. Maar drogredenen bestrijden met drogredenen is veel effectiever, schreef de Vlaamse logicus en filosoof Van Bendegem ooit. Dat ontslaat me niet van de plicht de bovenstaande retoriek terzijde te schuiven en toch te pogen een analyse te geven zonder drogredenen.
1. Argumentum ad hominem. De Wolff is met Uger in een competentiestrijd gewikkeld en daarom wil hij niet toegeven dat Uger gelijk heeft, zegt 't Hart: De Wolff haat Uger. ’t Hart maakt op deze wijze het motief van De Wolff verdacht. De toxicoloog zelf zegt over de stellige uitspraken in de rechtzaal dat hij zich baseerde op uitspraken van pathologen.
2. Autoriteitsdrogreden. ’t Hooft wordt er en passant ook nog even bijgehaald. Steevast wordt deze man aangehaald als Nobelprijswinnaar. Maar ’t Hooft is geen mathematische statisticus, geen jurist en ook geen rechtspsycholoog. In die zin is het aanhalen van ’t Hooft, enkel omdat hij Nobelprijswinnaar is (voor het geval u dit nog niet wist), niet relevant.
3. Vertekening van een standpunt. Tijdens de uitzending Pauw & Witteman riep ’t Hart dat het statistiek in deze zaak totale onzin is (en later, zo schrijft hij, hebben statistici die onzinnigheid bevestigd). Maar wie de uitzending beluistert, hoort echter iets anders. ’t Hart zegt namelijk (op 6:16): “het waarschijnlijkheidsargument is onzin”. Hij wijst daarbij op een geval in New York dat iemand twee keer een prijs won en dat de statistische kans hierop onvoorstelbaar klein was. Maar het gebeurde toch. Waar de statistici echter op hamerden was dat de berekening op zich niet deugde. (Niet 1 op 342 miljoen, maar 1 op 9 dat er sprake was van toeval.)
Dat is dus echt iets anders dan ’t Hart naar voren brengt. De opmerking dat statistici nadien de zaak hebben afgedaan als statistische onzin, komt in een heel ander daglicht te staan. ‘Nadien’ klopt al niet, want ze waren daar al veel eerder mee bezig, maar ook wordt de suggestie gewekt dat zij ’t Harts stellingname bevestigden.

© 2008 R.G.M. Ritzen