Pechtold, Halsema en de verruiming

Staatsrechtgeleerde prof. dr. Alexander de Becker (Vrije Universiteit Brussel)
Op 6 maart 2008 verschijnt partijleider van TOP, Rita Verdonk, in de Amsterdamse rechtbank. Ingeklemd tussen zes bodyguards is ze aanwezig bij het proces tegen Germaine C. Deze is iets te fanatiek achter haar tasjesdief aangegaan en het einde van dat ritje betekent ook het einde van de tasjesdief.
Verdonk vindt het een schande dat mensen die “hun bezit verdedigen vogelvrij worden verklaard” en bekritiseert dan ook de opgelegde werkstraf. Zij eist vrijspraak.
Voor Pechtold (D’66) is Verdonks optreden aanleiding voor het aanvragen van een spoeddebat over de scheiding tussen politieke en rechterlijke macht. Hij meent dat Verdonks uitspraken leiden tot “een aantasting van de rechtszekerheid”. Pechtold krijgt bijval van Femke Halsema (Groen Links): politici moeten zich ver houden van kritiek op rechterlijke besluiten. „Sommige parlementariërs vinden dat ze een doorgeefluik voor straatrumoer zijn”, zegt Halsema. “Je bent niet een burger die zo maar wat roept.” Als Verdonk als Kamerlid of – eerder – als minister kritiek heeft op een rechterlijke uitspraak, dan voelen rechters dat als druk, menen Halsema en Pechtold. Deze “elementaire grens” wordt de laatste jaren steeds vaker overschreden, vinden zij.
Analyse. Zowel Pechtold als Halsema verruimen een regel – kamerleden mogen geen rechterlijke uitspraken beïnvloeden – in de zin dat louter de aanwezigheid van Verdonk in een rechtszaal al een vorm van beïnvloeden is. Ten onrechte, blijkens het commentaar van prof. Tijn Kortmann, hoogleraar staatsrecht. Er is in het staatsrecht geen enkele regel, geschreven of ongeschreven, die commentaar van politici op individuele rechterlijke uitspraken verbiedt. Volgens Kortmann mag een politicus een uitspraak niet proberen te beïnvloeden, maar dat betekent zeker niet dat je geen kritiek mag leveren op een uitspraak over de straf. Zelfs niet als de zaak nog bij de rechter in behandeling is.
Dat is in België overigens niet anders. “Een politicus in België mag zich in het parlementaire halfrond uitlaten over een lopende rechtszaak omdat hij daar een onschendbaarheid geniet aangaande zijn geuite meningen”, stelt prof. Alexander De Becker (hoogleraar staatsrecht aan de Vrije Universiteit Brussel). “In beginsel heeft een politicus ook daarbuiten een vrijheid van meningsuiting ten aanzien van lopende procedures, maar hier gelden de grote basisprincipes.” Zo mag hij het geheim van het strafonderzoek niet schenden. “Dat impliceert zeker dat in geval hij de betrokken partij (zowel als advocaat als ‘verdachte’ of ‘getuige’) is in het onderzoek, zijn recht op vrije meningsuiting ernstig zal zijn ingeperkt.” Ook als buitenstaander mag hij echter in geen geval het geheim van het onderzoek schenden. “Als hij buitenstaander is, mag hij wel gebruikmaken van zijn recht op vrije meningsuiting, maar binnen de ‘normale limieten’. Hij mag zich niet bezondigen aan laster of eerroof. Aangezien dit een klachtmisdrijf is, dient wel per geval te worden onderzocht waar precies de grens ligt.” Over het algemeen is terughoudendheid aan te raden, aldus Alexander de Becker.
Deze erudiete wetenschapper krijgt bijval van strafrechtadvocaat Jan-Heijn Kuijpers, die de laatste paar maanden vaak in het nieuws is in verband met de verdediging van Holleerder: “Wat een stupide actie (van Verdonk om in de rechtszaal te gaan zitten, RR.). Alsof je daarmee die vrouw helpt. Zo’n rechter zal eerder zeggen: nu komen ze ook nog in mijn zaal zitten, alsof ik zelf niks meer te zeggen heb!” (Volkskrant Magazine, 29.3.08, p.16).

© 2008 R.G.M. Ritzen