Pinker en de persoonlijke aanval.

Psychologe Susan Pinker heeft wetenschappelijk vastgesteld dat mannen dommer, ongezonder, verbaal minder vaardig, meer sociaal gehandicapt, ontevredener, ongelukkiger, minder veerkracht en genetisch zwakker zijn dan vrouwen. Vrouwen zijn met zo goed als mannen als het om wetenschap en techniek gaat, maar zij willen niet in een mannelijke organisatie werken. Daar floreren ze niet. Status en geld zijn geen belangrijke drijfveren; het omgaan met mensen vinden vrouwen veel belangrijker dan mannen (VK, 26.4.08). Dat is allemaal biologisch bepaald.
Op de vraag of we moeten accepteren dat er zo weinig vrouwen aan de top staan, geeft Pinker het volgende antwoord: “Ik ben een wetenschapper, geen politicus. Ik zeg niet dat het één beter is als het ander. Ik pleit niet voor één norm, maar voor meer flexibiliteit, voor meer keuzen op het menu. We moeten niet bang zijn voor de verschillen (tussen mannen en vrouwen, RR.). De meer traditionele feministen reageren boos, nerveus en geschokt op mijn boek, maar ik benader het met een open geest, niet vanuit een ideologisch perspectief.
Analyse. In het begin gaat het nog goed. Ze is wetenschapper en die houden zich niet bezig met normatieve, politieke keuzes. Dat is voer voor politici, meent Pinker. Maar dan ontspoort het betoog alsnog. Want ze pleit wel degelijk voor iets, namelijk voor meer keuzes. Die stellingname is dat net zo normatief als de uitspraak ‘ik zeg niet dat de een beter is dan de ander’.
Vervolgens krijgen ook de feministen die het niet met haar eens zijn, er nog stevig van langs. Zij kijken vanuit een ideologisch perspectief.
(Carien Overdijk recenseerde het boek voor de Volkskrant (25.4.08) en schreef dat het boek een lovend onthaal kreeg in de V.S. In de New York Times en Washington Post las ik toch wat anders.)

© 2008 R.G.M. Ritzen