Prick en de irrelevante argumentatie

Onderwijspsycholoog Leo Prick reageerde in het NRC (26.4.08) op de felle kritiek die Roel in 't Veld had op wat de laatste ‘het broddelwerk van Dijssel­bloem’ noemde. Prick reageerde op zijn beurt op het “onzinnige en krakkemikkig verhaal” van prof. In ’t Veld. “Na een lange aanloop die suggereerde dat het een logisch voortvloeide uit het ander, toverde In 't Veld zo maar plotsklaps de kern van zijn kritiek op het rapport-Dijsselbloem uit zijn hoge hoed: ‘Met het verwijt dat de politiek het onderwijs heeft overla­den met politieke ambities,vindt het rapport zijn hoogtepunt. Impli­ciet betoogt de commissie dat het niet geoorloofd is om er naar te stre­ven dat ieder kind, ongeacht af­komst, recht heeft op ontplooiing van zijn talenten. Dan immers zal een onderwijsstelsel dat ongelijke kansen compenseert, het politieke doel zijn. Over de volle breedte van de Nederlandse politiek is deze doelstelling decennialang aan­vaard. En nu ineens neemt de com­missie hiervan afscheid’.”
Dat ‘impliciet betoogt de commissie...’ stoort Prick mateloos. “Op gezag van de auteur moet de le­zer aannemen dat dit inderdaad het geval zou zijn; aannemelijk ge­maakt wordt het nergens. Daarmee is het niet meer dan een ordinaire verdachtmaking. Duidelijk is overi­gens wel wat In 't Veld in deze pas­sage expliciet betoogt, namelijk dat de door de commissie onderzochte vernieuwingen tot doel hadden de kansen van de sociaal zwakkeren te verbeteren.” Prick heeft echter geen goed woord over voor die vernieuwingen, want die verbeterden de kansen van de sociaal zwakkeren allerminst. Zo was de invoering van de basisvorming louter een politieke prestigekwestie. Zowel de partijleiding als de Twee­de Kamerfractie van de PvdA eisten de invoering daarvan nadrukkelijk als wisselgeld voor de gemankeerde middenschool. Ook de schaalver­groting die daarmee gepaard ging, kwam volgens Prick de sociaal zwakkeren niet ten goede. Voor het Studiehuis geldt hetzelfde verhaal.
Analyse. De commissie-Dijsselbloem wil het onderwijs niet langer opzadelen met allerlei onmogelijke taken. Impliciet wordt daarmee ook de bestrijding van de maatschappelijke ongelijkheid op een zijspoor gezet, meent In ’t Veld. “Op gezag van de auteur moet de le­zer aannemen dat dit inderdaad het geval zou zijn; aannemelijk ge­maakt wordt het nergens”, meent Prick. Maar is dat zo? In ’t Veld wijst terecht op een implicatie: als het aan de commissie-Dijsselbloem ligt, worden alle politieke motieven uit het onderwijsbeleid geweerd. Dus ook de vernieuwingen om de positie van de sociaal zwakkeren te verbeteren. Kortom, we hoeven dat niet op het gezag van de auteur aan te nemen, want het is een logische implicatie.
Ook de rest van het Pricks betoog is irrelevant. Hij betoogt dat de onderwijsvernieuwingen in het verleden niet ten goede kwamen aan de sociaal zwakkeren. In ’t Veld betoogt dat onderwijsvernieuwingen in de toekomst ten goede moeten komen aan de sociaal zwakkeren. Als dat laatste niet wenselijk is, dient Prick daar normatieve argumenten te geven; als dat laatste niet mogelijk is, dient Prick empirische of sociologische argumenten te geven waaruit blijkt dat onderwijsvernieuwingen niet kunnen bijdragen aan de verbeteringen van de positie van de sociaal zwakkeren. Prick geeft echter historische argumenten, maar die geven geen antwoord op de vraag of onderwijsvernieuwingen ten goede kunnen komen aan de sociaal zwakkeren. Kortom, zijn argumentatie is irrelevant.

© 2008 R.G.M. Ritzen