Ramdas en de normatieve conclusie

Als premier Balkenende naar Paramaribo gaat, moet hij van SP-Kamerlid Harry van Bommel ook formeel zijn excuses aanbieden voor het slavernijverleden. „Excuses zouden passend zijn voor het enorme leed dat wij als Nederlanders deze mensen hebben aangedaan”, stelt Van Bommel op de website NU.nl. „Van de 300.000 Afrikaanse slaven die werden aangevoerd kregen er bij de afschaffing in 1863 maar 33.000 levend hun vrijheid terug.”
Dit soort kwesties, meent Ramdas (columnist N RC) , speelt eigenlijk al door de hele wereldgeschiedenis. “Van Bommel zegt het zelf: Tony Blair verontschuldigde zich tegenover de Ieren, Angela Merkel tegenover de Joden, de Australische premier Kevin Rudd tegenover de Aboriginals. Nu moet Balkenende ook maar eens.” (NRC, 5.5.08)
De redenering in de gemiddelde kroeg gaat echter een andere kant uit. Die redenering luidt als volgt: “Net zomin als Van Bommel, de Nederlandse Turk in Amsterdam-West en ik, is Balkenende schuldig aan slavernij. En de slaven van weleer kunnen ons niet meer horen. Waar heeft Van Bommel het dan over?”
In de beschaafde wereld, weet Ramdas, gaat deze redenering niet op. Hij haalt in dit verband The New York Times-columnist Stanley Fish aan. “Fish maakte heel snel en elegant korte metten met deze redenering: die slaven zijn dood, en hun nazaten zijn geen slaaf geweest, dat klopt. Maar slavernij was niet gericht op individuele personen, van ‘jij wel en jij niet’: alle Afrikanen waren tot slaaf bestempeld, daar was geen ontsnappen aan. De meest tragische verhalen gaan juist over die mogelijke ontsnappingen: de schone slavin, die haar blanke slavenmeester een mooi meisje baarde, dat hij daarop achteloos verkocht aan een buurman, als zijnde gewoon een slavinnetje. Of de slimme zwarte jongen die met zijn meester mee mocht naar Europa, leerde lezen en schrijven en terugkwam als een geleerde jongeman, en toch doorverkocht werd als veldslaaf. De slavernij ging niet over individuele mensen met individuele persoonlijkheden. De slavernij was een instituut, geheel categorisch en zonder uitzonderingen: zoals olifanten, honden en vogels, had je slaven.”
Slavernij, zo gaat Ramdas verder, gaat niet over individuen, maar over instituten. Slavernij was een institutioneel gegeven waarin twee instituten, slaven en slavenhouders, nauw betrokken waren. En daarom heeft Harry van Bommel (een beetje) gelijk. Hij zegt het alleen een beetje onhandig.
Analyse. Ramdas maakt aannemelijk dat de kroegredenering niet per definitie opgaat. Maar heeft Van Bommel daarom – een beetje – gelijk? Van Bommel wil dat Balkenende zijn excuses maakt, omdat iedereen dat zo doet. (Als Van Bommel dat inderdaad zo gezegd heeft, maakt hij zich schuldig aan een populariteitsdrogreden: iedereen doet het, dus Nederland moet het ook doen).
Door een verschijnsel (slavernij) te beschrijven of te definiëren als een instituut, volgt echter niet de normatieve conclusie dat de formele vertegenwoordiger van dat instituut ‘X’ moet doen. Een normatieve conclusie volgt alleen maar als minimaal één van de premissen normatief van aard is.
Let ook op de retorische truc: de kroegredenering wordt tegenover de beschaafde wereld gezet.

© 2008 R.G.M. Ritzen