Sommer over Tiemeijer

Sommer mocht zijn zegje doen bij de introductie van Tiemeijers boek ‘Wat 97,3 procent van de Nederlanders moet weten over opiniepeilingen’. Tiemeijer, wetenschappelijk medewerker van de WRR, is in 2006 gepromoveerd en hij heeft zijn (bekroonde) dissertatie omgewerkt tot het boek.
Sommer, redacteur van de Volkskrant was niet erg enthousiast over Tiemeijers boek (VK, 7.3.08). “Er zit een afkeurende noot in dit boek die mij minder bevalt.” De media komen “nauwelijks voorbij zonder een sneer of expliciete veroordeling.
De media, zo luidt Tiemeijers stelling, “geven geen beeld van de samenleving zoals die is, of vormen daarvan geen afspiegeling.” Sommer vraagt zich af of de media wel een beeld van de samenleving kan geven en of dat wenselijk zou zijn. “En wie heeft dan wel een beeld van de samenleving zoals die is?” Verder stoorde Sommer zich aan het zinnetje ‘slecht nieuws is altijd goed voor een stukje in de krant’. “Er is sinds Fortuyn een flink gesubsidieerde mediakritiek opgekomen, die steeds maar weer herhaalt dat de media achter hypes aanrennen.” Er doemt volgens Sommer achter deze kritiek en het boek van Tiemeijer een pessimistisch idee over de burger op, namelijk van iemand die niet tot volwassenen keuzes in staat is.
Geïnformeerd zijn is een betrekkelijk begrip, stelt Sommer. “Wat zo tegenvalt is dat Tiemeijer met al zijn methodologische subtiliteiten een werkelijkheidsbegrip hanteert dat zo plat is als een dubbeltje. Wij journalisten hebben niet veel meer dan ons boerenverstand. Maar we zijn ook de infanteristen van de kennisvergaring. (…) Dat kan in de ogen van methodische scherpslijpers nauwelijks ware kennis zijn. Een van de concrete verwijten van Tiemeijer is dat journalisten van het gevolg naar de oorzaak redeneren. Als een politicus hoog in de peilingen staat, verzinnen we daar een oorzaak bij. En tja, vaak hebben we de verkeerde oorzaak te pakken.”
“Dat vindt Tiemeijer kennis van niks. Toch zijn er keurige beroepen waar het niet anders is. Rechters, rechercheurs, artsen, vissers, en trouwens ook politici zoeken allemaal de oorzaak bij het gevolg dat ze voor hun neus hebben. In de vorm van een dader, een ziekte of een vis die het dobbertje omlaag trekt. Hun kennis is net als die van de journalist tastend, voorlopig, voorwaardelijk, het is dagelijkse, concrete wetenschap waar je mee de straat op kunt. Wiskunde is het niet en, inderdaad, resultaten in het verleden geven geen garanties voor de toekomst. Precies het soort afwegingen dat de gewone burgers de hele dag maken. En het dedain ertegen gaat terug op Plato, die niet voor niets het landsbestuur in handen van filosoof-koningen wilde geven.”
Wat schreef Tiemeijer eigenlijk? Zijn stelling is dat veel opiniepeilingen ten onrechte de indruk wekken dat iedereen overal een mening over heeft: ‘Het volk’ is in meerderheid vóór verlenging van de missie in Uruzgan, tegen versoepeling van het ontslagrecht, vóór verbieden van dubbele nationaliteit enzovoort. De media nemen dat soort peilingen regelmatig over, dus kennelijk zien ze het als betrouwbare informatie. “Bij veel peilingen wordt echter geen publieke opinie gemeten als wel geconstrueerd. Dat iedereen toch antwoord geeft op de vragen, komt ten eerste doordat mensen soms in de enquête worden bijgepraat. Maurice de Hond legt zijn respondenten bijvoorbeeld uit dat in Den Haag zus of zo is gebeurd, de ene politicus dit zei en toen de andere politicus dat, en vervolgens vraagt hij respondenten wat ze daarvan vinden. Ten tweede willen mensen nu eenmaal graag antwoord geven, bijvoorbeeld om de peiler een plezier te doen.”
Dit soort peilingen wekken de indruk van een massieve en uitgekristalliseerde publieke opinie waarnaar Den Haag zich maar heeft te voegen. “Ik vrees dat zulke peilingen de kloof tussen burger en politiek zelfs vergroten, want als politici op goede gronden toch iets anders beslissen dan wat volgens de opiniecijfers ‘de wil van het volk’ is, ontstaat het beeld dat ‘ze weer eens niet luisteren’.”
Analyse. Sommer maakt een fiks aantal redeneerfouten.
Opgeblazen vooronderstelling. “Er doemt achter deze kritiek en het boek van Tiemeijer een pessimistisch idee over de burger op, namelijk van iemand die niet tot volwassenen keuzes in staat is.” Tiemeijers voorbeeld in zijn boek betrof het ontslagrecht. Het idee werd nog maar net de media in geslingerd of de eerste enquête verscheen al. Tiemeijer vraagt zich terecht af wat je meet je, als je op dat moment aan iemand vraagt of de ideeën over de versoepeling goed zijn. Voor een aantal mensen geldt dat ze op dat moment voor de eerste keer pas iets horen over het ontslagrecht en ter plekke nemen ze stelling. Op die wijze meet je geen meningen, maar creëer je die, meent Tiemeijer.
Wordt met een dergelijke analyse vooronderstelt dat mensen geen volwassen keuzes kunnen maken? Nee, als iemand niet over van alles en nog wat een mening heeft, wil niet zeggen dat hij niet tot volwassen keuzes in staat is. Over een aantal zaken moet je pro’s en contra’s afwegen en die informatie heeft niet iedereen à la minute voorhanden.
Vaag taalgebruik. “Wat zo tegenvalt is dat Tiemeijer met al zijn methodologische subtiliteiten een werkelijkheidsbegrip hanteert dat zo plat is als een dubbeltje.” Wat een plat werkelijkheidsbegrip is, mag de lezer zelf verzinnen. De daaropvolgende zin over het boerenverstand van journalisten verheldert niets.
Argumentum ad misericordiam. “Wij journalisten hebben niet veel meer dan ons boerenverstand.” Dat zal best, maar is dat dan een reden om slechte opiniepeilingen te houden?
Populariteitsdrogreden. “Maar we zijn ook de infanteristen van de kennisvergaring. (…) Dat kan in de ogen van methodische scherpslijpers nauwelijks ware kennis zijn. Een van de concrete verwijten van Tiemeijer is dat journalisten van het gevolg naar de oorzaak redeneren. Als een politicus hoog in de peilingen staat, verzinnen we daar een oorzaak bij. En tja, vaak hebben we de verkeerde oorzaak te pakken. Dat vindt Tiemeijer kennis van niks. Toch zijn er keurige beroepen waar het niet anders is. Rechters, rechercheurs, artsen, vissers, en trouwens ook politici zoeken allemaal de oorzaak bij het gevolg dat ze voor hun neus hebben. In de vorm van een dader, een ziekte of een vis die het dobbertje omlaag trekt.” Dus als rechters, rechercheurs en artsen op dezelfde wijze denken, mogen journalisten er dus ook een statistisch rommeltje van maken.
Opblazen van een vooronderstelling. “(Journalisten maken) precies het soort afwegingen dat de gewone burgers de hele dag maken. En het dedain ertegen gaat terug op Plato, die niet voor niets het landsbestuur in handen van filosoof-koningen wilde geven.” Wie een pleidooi houdt voor methodisch verantwoord uitgevoerde opiniepeilingen, geeft daarmee af op gewone burgers en zit - voor hij het weet - met Plato op schoot. Wat Tiemeijer wil is dat bij opiniepeilingen eerst wordt gekeken of een respondent iets weet van het betreffende onderwerp. En als iemand aangeeft dat hij niets van een onderwerp afweet, moet je zijn mening buiten beschouwing laten. Dat is de heldere boodschap van Tiemeijer, alle platte werkelijkheidsbegrippen, Plato en het boerenverstand van Sommer ten spijt. (Zie ook: Sommer & critici, Sommer & Fortuyn)

© 2008 R.G.M. Ritzen