Tonkens en de immuniseringstrategie

Prof. Tonkens is erg enthousiast over het voorstel van FNV-voorzitter Agnes Jongerius om voor vrouwen in de top van bedrijven een quotum wettelijk af te dwingen (VK, 14.5.08). In Noorwegen hebben ze zo’n wet en die werkt prima. Begin dit jaar werd die wet ingevoerd en inmiddels bezetten veertig procent van de vrouwen een topfunctie. In 2006 was dit slechts 21 procent.De hamvraag is dan of de kwaliteit daaronder lijdt? “De redenering van Noorse mediamagnaat Hegnar, fervent tegenstander van de maatregel, is veelzeggend. Hegnar beschouwt zichzelf als slachtoffer van de maatregel. ‘Ik heb onlangs een derde van de aandelen van uitgeverij Gylendal gekocht. Normaal gesproken ben je dan verzekerd van een plaats in de raad van bestuur. Nee, zei de grootaandeelhouder: ik moet een vrouw aannemen. Hij gebruikte het quotum om mij buiten de deur te houden. Ik heb namelijk geschreven dat hij een slechte bestuurder is’. Hegnar dacht zichzelf dus te kunnen inkopen in de top. Hij verwachtte niet vanwege zijn kwaliteiten te worden aangenomen, maar vanwege zijn geld: omdat hij zoveel aandelen had gekocht. Het quotum voor vrouwen stak daar een stokje voor. De maatregel doorbrak dus het old boys maar vooral het big money network. Het vrouwenargument bood een prettig excuus om Hegnar ondanks zijn geld niet aan te nemen. Zijn kritiek op de topman was de eigenlijke reden, meent hij zelf, maar om dit niet te hoeven toegeven, werd het vrouwenargument van stal gehaald. Zonder gezichtsverlies konden de mannen nu met elkaar overeenkomen dat het helaas niet kon. De ware reden, dat men zijn geld, zijn kritiek en zijn kwaliteiten niet moest, kon verzwegen blijven.” (…) “Bij Hegnar leidt het quotum er toe dat kwaliteit eindelijk echt gaat tellen, aangenomen vrouwen zich niet zoals hij kunnen inkopen en dus op kwaliteit moeten concurreren.”
Geldt dat ook voor andere sectoren? In Nederland hebben we nauwelijks ervaring met officiële quota, maar wel met inofficiële, namelijk in de politiek. Tonkens wijst erop dat de meeste politieke partijen sinds een jaar of tien een fors percentage plaatsen op kandidatenlijsten voor vrouwen reserveren. “En dat werkt. Ooit klachten gehoord over het niveau van de vrouwelijke leden van de Tweede Kamer? Of van de vrouwelijke ministers?” Alle zorgen zijn dan ook ongegrond.
Analyse. Tonkens bewijst niets. Ze stelt dat de redering van mediagigant Hegnar veelzeggend is, maar ze laat in het midden wat ze met het begrip ‘veelzeggend’ bedoelt. Hegnar zegt een slachtoffer te zijn van de quotumregeling. Op het einde van de redenering concludeert Tonkens dat de reden dat Hegnar geen bestuurlijke functie heeft gekregen omdat hij niet goed genoeg was. Maar waar blijkt dat uit? Het feit dat Hegnars poging om zich met veel geld in te kopen mislukte, impliceert niet per definitie dat hij te weinig kwaliteiten had. Het is mogelijk dat men niet zat te wachten op een lastige figuur.
In het domein van de politiek blijkt het quotum te werken, want wie heeft er klachten gehoord over het niveau van vrouwelijke politici?
Tonkens ontduikt de bewijslast op een – voor haar - buitengewoon comfortabele wijze. Ze formuleert haar stelling in een retorische vraag, maar feitelijk beweert ze gewoon dat er geen klachten zijn. Normaal gesproken is de regel: wie stelt, bewijst. Door te stellen dat er geen klachten zijn, hoeft ze niets te bewijzen. Een klacht die niet bestaat, kun je ook niet duiden. Tonkens hoeft dan niets te bewijzen. Maar het is onzinnig om te stellen dat er geen klachten zijn. Annet Nijs, Tineke Netelenbos, Singh Varma, Gonny van Oudenallen en Philomena Bijlhout zijn nu niet bepaald lichtende voorbeelden.
Zo’n rijtje zegt echter niets. Gaat het om kandidaten die op een lijst stonden omdat ze vrouw waren? (Voor Van Oudenallen geldt dat zeker niet.) En als dat zo is: was het onofficiële quotum dan de doorslaggevende reden dat ze prominent in de politiek belandden? En welke autoriteit bepaalt of en in welke mate het quotum doorslaggevend is geweest? Maar zelfs als we die vragen gewoon van tafel vegen, dan nog blijft de vraag wat ‘klachten’ zijn. Over Vogelaar wordt geklaagd, bijvoorbeeld door Kelder, Van Rooyen en Elian. Maar wat zegt dat? Zijn die klachten terecht of is er sprake van een hype? Is er een autoriteit op dit terrein, die kan bepalen over sprake is van echte klacht? En wanneer is zo’n klacht gegrond? In principe kan Tonkens elk voorbeeld torpederen met een van de bovenstaande vragen.
Kortom, de argumentatie van Tonkens is immuun voor kritiek.

© 2008 R.G.M. Ritzen