Welten en de vertekening van een discussie

Naar aanleiding van de discussie over het registreren van alle kentekens van auto’s die over het kruispunt van de A28 en A50 rijden, merkt de korpschef van de politie Amsterdam, drs. Welten, op dat er in de discussies over privacy en veiligheid twee kampen te onderscheiden zijn (VK, 10.5.08). In het ene kamp staat veiligheid voorop en in het andere privacy. Dat is volgens hem een valse tegenstelling. “Het lijkt namelijk net alsof het gaat om een keuze vóór of tégen de overheid.” Maar veiligheid kan volgens Welten niet bestaan zonder bescherming van de privacy. “Het is de essentie van de rechtsstaat dat er evenwicht is tussen de bescherming door de overheid en bescherming tegen de overheid.” Er bestaat geen spanning tussen privacy en veiligheid, maar wel tussen twee opdrachten van de overheid, namelijk de opdracht om de privésfeer te waarborgen en de opdracht om te zorgen voor veiligheid. Het zijn alle kerntaken van de overheid en daarom is het de vraag wat het juiste evenwicht is tussen deze twee opdrachten van de overheid. “Zoals gesteld, privacy is een noodzakelijk onderdeel van veiligheid.”
Welten stelt dat het goed is dat de discussie naar aanleiding van de controle op de A28 en A50 een impuls krijgt, “maar het is van belang dat de discussie niet wordt verengd tot de tegenstelling tussen veiligheid en privacy.”
Analyse. Kan er sprake zijn van een valse tegenstelling als het slechts lijkt dat er een keuze voor of tegen de overheid gemaakt wordt?
Vervolgens is de vraag welke discussie Welten op het oog heeft? Advocaat Van der Goot schreef eerder op de opiniepagina dat de politie zich op artikel 2 van de Politiewet 1993 baseert. Op basis van dit artikel is de politie bevoegd tot ‘daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde’. Deze handhaving dient daarbij in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zijn. Volgens de Hoge Raad bevat artikel 2 slechts een algemene taakomschrijving voor de politie. Het artikel mag niet als een algemene bevoegdheid om op te sporen worden aangemerkt. Van der Goot wees vervolgens op een recente uitspraak van het Duitse Bundesverfassungsgericht. Er was in Hessen en Sleeswijk-Holstein sprake van een vergelijkbare situatie als in Nederland. Het enige verschil was dat er in Duitsland wel een onderliggende regeling was. “Deze werd door het Bundesverfassungsgericht echter niet als voldoende basis bestempeld om een dergelijk grote inbreuk op de privacy van vele burgers, die nog niet als verdachte gelden, te rechtvaardigen.”
In elk geval kan men stellen dat de discussie breder is dan Welten doet voorkomen. Van der Goot wijst erop dat de politie op eigen houtje en in strijd met de wet handelt. Dat is toch echt iets anders dan een discussie over een evenwicht tussen bescherming door en tegen de overheid.
(Overigens noemde Welten in 2004 het recht op privacy “de schuilplaats van het kwaad”.)

© 2008 R.G.M. Ritzen