Wijnberg en de omkering van de modus tollens

In de overigens altijd interessante Podcast-uitzendingen van NRC, kwam op 21 maart het onderwerp ‘Grenzen van de vrijheid’ aan bod naar aanleiding van het uiterst boeiende boek ‘In Dubio - Vrijheid van meningsuiting als het recht om te twijfelen’ * van filosoof en nrc.next-redacteur Rob Wijnberg. Hij vindt het vreemd dat gelovigen bepaalde dingen wel mogen zeggen terwijl anderen, atheïsten, op hun woorden moeten passen. Hieronder een transcriptie van een gedeelte van het gesprek.
Paul Steenhuis, gespreksleider (20:33): Je haalt de zaak van de Rotterdamse imam El-Moumni aan. Hij vond dat homo’s lager dan varkens zijn en dat je ze van een flatgebouw met het hoofd naar beneden mag gooien. Homoseksuelen in Nederland, die daar aanstoot aan namen, hebben daar een rechtzaak over aangespannen en die man is vrijgesproken. Wat is jouw oordeel daarover?
Wijnberg (21:34): El-Moumni werd vrijsproken op grond van vrijheid van godsdienst. Het feit dat hij werd vrijgesproken, vond ik niet onterecht. Daar ben ik zelfs voor. Probleem is alleen op grond waarvan hij werd vrijgesproken.
Steenhuis: Namelijk op grond van de vrijheid van godsdienst.
Wijnberg (21:54): En dat impliceert dat als ik zoiets zeg - en ik ben niet religieus en ik presenteer mezelf ook niet als religieus -, dat ik dan een andere behandeling zou kunnen verwachten omdat ik mij niet baseer op een religie.
Steenhuis: Dan zou je dus wel veroordeeld kunnen worden op grond van discriminatie of laster.
Wijnberg: Of haatzaai. En dat is problematisch, want waaraan herken ik dat iets stamt uit een religie of een godsdienst, behalve dan dat iemand dat zelf beweert of in zijn voorkomen uitdraagt. Dat is een onheus onderscheid, die je helemaal niet moet maken. Daarom zeg ik ook: vrijheid van godsdienst moet gewoon uit de grondwet.
Analyse. Zowel Steenhuis als Wijnberg menen dat de vrijspraak op grond van godsdienst impliceert dat iemand die niet godsdienstig is, geen vrijspraak zou krijgen. Dat is onjuist. Zowel Steenhuis als Wijnberg verwarren een noodzakelijke met een voldoende voorwaarde.
Vergelijk de volgende argumentatie:
1. Als je je kunt beroepen op de vrijheid van godsdienst, dan volgt vrijspraak.
2. Ik kan me niet beroepen op de vrijheid van godsdienst (want ik ben atheïst).
3. Dus: ik krijg geen vrijspraak.

Met de volgende argumentatie:
4. Als het regent, dan worden de straten nat.
5. Het regent niet.
6. Dus: de straten worden niet nat.

Dat conclusie (6) niet klopt, valt eenvoudig in te zien: er kan een auto met een lekkende watertank zijn langsgekomen. De eerste redenering heeft dezelfde logische structuur als de tweede redenering. Dat redenering (1-3) onjuist is, valt wellicht iets moeilijker in te zien. Vrijspraak kan eveneens volgen, maar dan op grond van de vrijheid van meningsuiting.
Iets technischer: beide redeneervormen houden een omkering in van de modus tollens. Een correcte modus tollens heeft de structuur (((als a dan b) en niet-b) dus niet-a). De incorrecte structuur is (((als a dan b) en niet-a) dus niet-b). Die laatste structuur komt overeen met de redenring (1-3) en (4-6).
Overigens is de interpretatie van het El-Moumni-arrest door Wijnberg niet geheel correct, ook al baseert hij zich onder meer op een stuk van prof. De Beer (NRC, 27.10.07). Het hof zegt namelijk niet dat vrijspraak uitsluitend volgt vanwege een beroep op de vrijheid van godsdienst. Het hof ( Hof 's-Gravenhage 18 november 2002, LJN: AF0667) oordeelt genuanceerder: “Gezien de in de grondwet en internationale verdragen verankerde vrijheid van godsdienst stond het verdachte vrij zijn op zijn geloofsovertuiging stoelende opvattingen omtrent homoseksualiteit uit te dragen. De wijze waarop hij dat deed valt naar het oordeel van het hof binnen de grenzen van het aanvaardbare. Bij dit oordeel heeft het hof laten meewegen dat het door verdachte in het interview gebezigde woord ‘marat’ in de visie van verdachte niet moet worden vertaald met ziekte (zoals dat in de Nova-uitzendig is gebeurd), maar dat een juiste vertaling is ‘afwijking’ of ‘opvoedingsziekte’. De reeds genoemde getuige-deskundige Peters heeft ter terechtzitting in eerste instantie bevestigd dat het woord ‘marat’ niet moet worden vertaald met ziekte en dat het woord moet worden opgevat in overdrachtelijke zin.
Nu er naar het oordeel van het hof geen sprake is van in strafrechtelijke zin beledigende uitlatingen dient de verdachte van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken.
Gelet op het vorenoverwogene, alsmede op de omstandigheid dat de verdachte in een niet uitgezonden gedeelte van het interview onder meer ook te kennen gaf dat de islam verbiedt anderen lastig te vallen en dat de moslim respect moet geven aan iedereen, dient de verdachte tevens te worden vrijgesproken van de tenlastelegging voor zover inhoudende dat de verdachte -kort omschreven- heeft aangezet tot haat en/of discriminatie van homoseksuelen.”
De vrijheid van godsdienst is geen vrijbrief om alles te kunnen zeggen. Het hof benadrukt dat de wijze waarop El-Moumni zijn uitspraken deed binnen de grenzen van het aanvaardbare viel.
*) Mijn recensie zal t.z.t. verschijnen in Filosofie.

© 2008 R.G.M. Ritzen