Rutte en de onjuiste implicatie

“Wie vrij kan denken en vrij kan spreken, is een vrij mens. Als de mensen van een land vrij zijn, dan pas is een land vrij. Dat is de essentie van de vrijheid van meningsuiting en de kern van onze democratie”, aldus Mark Rutte, fractieleider van de VVD (VK, 30.5.08). In de afgelopen weken betoogde hij dat de vrijheid van meningsuiting in ons land onder druk staat en dat het CDA daarvoor verantwoordelijk is. Cartoonisten en kunstenaars doen volgens hem aan zelfcensuur of voelen zich in hun vrijheid belemmerd. En alleen al het gevoel niet alles te durven zeggen of schrijven, is een feitelijke inperking van de vrijheid van meningsuiting. “Deze ontwikkeling mag de politiek nooit accepteren, laat staan bevorderen. Juist politici dienen zich op te stellen als hoeder van de democratie en pal te staan voor het vrije woord.”
Er is dan geen enkele beperking aan de vrijheid van meningsuiting? Die vrijheid, zegt Rutte, wordt achteraf begrensd door de wet, bijvoorbeeld als het gaat om oproepen tot geweld. "Maar vooraf is er alleen de persoonlijke verantwoordelijkheid."
Analyse. Rutte vertekent de opvatting over de vrijheid van meningsuiting. Voorafgaande zou er alleen sprake zijn van een persoonlijke verantwoordelijkheid. Dat is onjuist. Ook vooraf dient een burger zich te houden aan de wettelijke beperkingen.
Beperkingen die betrekking hebben op de inhoud van een uiting zijn toegestaan mits die geformuleerd zijn in een formele wet. Die beperkingen zijn vooral te vinden in het Wetboek van Strafrecht (zoals smaad, laster en belediging (art. 261 Sr e.v.) en discriminatie (art. 137c-137e Sr)), in de Auteurswet en in het burgelijk wetboek (onrechtmatige daad (art. 6:162 BW en art. 6:296 BW)). Al die wetsartikelen zijn clausuleringen van art. 7 Grondwet (vrijheid van meningsuiting).
Dat die vrijheid achteraf begrensd wordt, heeft enkel betrekking op het oordeel van de rechter. Dat impliceert echter niet dat een burger daar dus geen rekening mee hoeft te houden. Als burger heb je wel degelijk rekening te houden met die beperkingen, maar je mag er door een rechter pas achteraf - juridisch - op worden aangesproken. Rutte haalt die twee zaken door elkaar.
(Of dit een wenselijke situatie is, staat hier niet ter discussie. Dat is een andere discussie. Maar wie daarover een normatief oordeel geeft, moet wel eerst weten wat er feitelijk in de wet staat.)

© 2008 R.G.M. Ritzen