Cleiren over Gill, Derksen en Israëls

Prof. dr. Ton Derksen

De Maastrichtse rechtspsycholoog Han Israëls, de Leidse hoogleraar statistiek Richard Gill en de wetenschapsfilosoof Ton Derksen hebben zich onlangs beziggehouden met rechterlijke dwalingen. Prof. Tineke Cleiren (commissielid Ina Post-zaak, hoogleraar in Leiden en raadsheer) erkent dat er zwaktes zitten in het juridische bewijsstelsel. Maar ze heeft ook kritiek op de wetenschappers omdat ze met ‘onjuridische blik’ kijken (NRC, 28.6.08).
Hoe ziet dat juridisch bewijsstelsel er dan uit? “Stel dat het slachtoffer een blauwe plek heeft en een verdachte aanwijst. Die combinatie wordt geaccepteerd door de rechter. Anders kun je zo iemand nooit aanpakken. Als er nou ook spermaonderzoek was, dan heb je een hard gegeven. Die blauwe plek alleen zegt dat er iets gebeurd is. Niet dat hij het heeft gedaan. Dit type delicten heeft er mede toe geleid dat het strafrecht nog soepeler is geword en met bewijs.”
De kritiek op (onder andere) de eerder genoemde wetenschappers heeft te maken met de verschil tussen een juridische blik enerzijds en een sociaalwetenschappelijke en wiskundige blik anderzijds. Hieronder volgen enkele beschuldigingen
“Als zij met getuigen spreken zijn er geen waarborgen voor de betrouwbaarheid van die verklaringen. Die biedt het strafproces wel. Zij kijken niet-juridisch.”
“Je kunt een zaak bederven met een vals beeld. Alle bescherming die het recht biedt voor betrouwbaarheid en behoorlijkheid valt dan weg. De contra-expertise bij de zitting, de cautie (waarschuwing dat de verdachte niet tot antwoorden is verplicht), het verbod druk uit te oefenen, etcetera. Als er te veel ophef ontstaat, kan een rechter niet meer oordelen. De verdachte krijgt dan geen eerlijk proces meer. De rechter kan niet meer onafhankelijk tot een overtuiging komen. Die is bevooroordeeld geraakt.”
“Ze zouden alleen moeten beseffen dat wat zij doen niet altijd tot een betere waarheid leidt. Je kunt ze hoogstens aanspreken op hun wetenschappelijke integriteit. Men begint vanuit een academische belangstelling, maar gaat zich vereenzelvigen met één van de partijen. Daar is geen zelfrelativering te merken.”
“Men beseft evenmin hoe het wettelijke bewijsstelsel in elkaar zit. De rechter moet een overtuiging hebben, op basis van een minimale hoeveelheid bewijs. Er zijn ook gevallen waarin daaraan is voldaan, zelfs met veel bewijs, maar de rechter toch twijfelt en vrijspreekt. Dat past vaak niet in hun perceptie. Maar het is wel de kern van ons bewijsstelsel. Die overtuiging is een discretionaire bevoegdheid van de rechter, een persoonlijke waardering. Externe deskundigen kunnen die bevoegdheid vaak niet op waarde schatten.”
Analyse. Cleiren verwijst naar de kritiek van Gill, Derksen en Israël en ik zal haar kritiek dan ook in relatie tot deze drie wetenschappers bespreken. Als hun analyses tekort zouden schieten, moet Cleiren ook exact kunnen aangeven waar de analyses van de genoemde drie tekortschieten. Dat doet ze echter niet. Ik zal de beschuldigingen één voor één behandelen.
1. “Als zij met getuigen spreken zijn er geen waarborgen voor de betrouwbaarheid van die verklaringen. Die biedt het strafproces wel. Zij kijken niet-juridisch.” Derksen, Israels en Gill hebben beweringen geanalyseerd (en gefileerd). Hun argumentatie is transparant, helder en navolgbaar. Wat moet er dan nog meer gebeuren als het gaat om waarborgen? Het punt is nu juist dat Cleirens 'juridische' waarborgen in een aantal gevallen structureel tekortschoten.
2. “Je kunt een zaak bederven met een vals beeld.” Wie schetst dan precies welk vals beeld? Zowel bij Lucia de B. als de Schiedammerparkmoord werd het 'valse beeld' door het OM geschetst.
3. “Alle bescherming die het recht biedt voor betrouwbaarheid en behoorlijkheid valt dan weg.” Ook bij deze beschuldiging geeft Cleiren - weer - geen enkel voorbeeld.
4. “Als er te veel ophef ontstaat, kan een rechter niet meer oordelen. De verdachte krijgt dan geen eerlijk proces meer. De rechter kan niet meer onafhankelijk tot een overtuiging komen. Die is bevooroordeeld geraakt.” De genoemde drie wetenschapppers analyseerden de zaak na de veroordeling. Deze beschuldiging heeft dus in elk geval niet betrekking op de genoemde drie wetenschappers. Mocht dat wel het geval zijn, dan dient te worden opgemerkt dat het in de zaak Lucia de B. juist om de bevooroordeelde houding jegens de verdachte ging. Lucia de B. kreeg géén eerlijk proces.
5. “Ze zouden alleen moeten beseffen dat wat zij doen niet altijd tot een betere waarheid leidt. Je kunt ze hoogstens aanspreken op hun wetenschappelijke integriteit. Men begint vanuit een academische belangstelling, maar gaat zich vereenzelvigen met één van de partijen. Daar is geen zelfrelativering te merken.” Ton Derksen heeft zelfs nadrukkelijk aangegeven Lucia de B. niet meer dan één keer te willen ontmoeten om te voorkomen dat er een band zou gaan optreden. Bovendien komt de rechterlijke macht schoorvoetend terug op hun eerdere veroordeling van Lucia de B. Met andere woorden, er is wat Lucia de B. betreft inmiddels geen verschil van mening meer tussen de opvatting van de rechters en de wetenschappers. Feitelijk komt Cleiren niet veel verder dan een directe persoonlijke aanval richting Gill, Derksen en Israël.
6. “Men beseft evenmin hoe het wettelijke bewijsstelsel in elkaar zit. (…) Externe deskundigen kunnen die bevoegdheid vaak niet op waarde schatten.” Maar is dat wettelijk bewijsstelsel dan een heilig axioma? Zo is de statistische berekening die Gill en Derksen aanvielen, fout en dat staat los van welk bewijsstelsel dan ook.
Kortom, een weinig overtuigende kritiek van prof. Cleiren.

Naschrift:
Inmiddels heeft Ton Derksen in het NRC (5.7.08) gereageerd op de kritiek van Cleiren.
Cleirens verwijt dat de verdachte door alle ophef geen eerlijk proces krijgt, wijst Derksen resoluut van de hand. “Dat verwijt is een gotspe van formaat.”, stelt Derksen. “Het is alleen door de inzet van mijn zus en mij geweest dat er nu aandacht voor de zaak Lucia de B. is en dat de Hoge Raad zich nu buigt over een herzieningsverzoek van het parket van de Hoge Raad. Alleen dankzij de inzet van academici is er nu (de mogelijkheid van) een eerlijk proces.”
Over het verwijt van vooringenomenheid zegt Derksen, dat hij op basis van uitgebreide studie en zorgvuldige argumentatie ervan overtuigd is geraakt dat Lucia de B. geen moorden heeft gepleegd, en niet op basis van vooringenomenheid. “Dit is een misverstand, zowel een raadsheer als een hoogleraar strafrecht onwaardig.”
Het punt is dat Cleiren zo vaag in haar kritiek is, dat dit – bewust of onbewust – alle deuren opent voor de immuniseringsstrategie. Elk weerwoord van Derksen kan Cleiren desgewenst afdoen met een ‘ik-had-een-andere-zaak-op-het-oog’. Cleiren hanteert argumentatieve ‘hit-and-run’-strategie: na een vage kritiek wordt snel een ander punt aan de orde gesteld. Elke onderbouwing en nuancering ontbreekt.

1 opmerking:

Anoniem zei

De zaak Lucia de B. was ooit juridisch interessant. Omdat delict en dader niet onafhankelijk van elkaar vastgesteld zijn, zou een rechter zonder verder te kijken naar het bewijsmateriaal de zaak van de rol af hebben kunnen hameren. Dat is niet gebeurd, en het zal ook niet meer kunnen gebeuren. In plaats daarvan is de zaak Lucia de B. een speelplaats geworden waarop iedereen mag spelen.

Het probleem met deze analyse van de vermeende drogredenen van Cleiren is dat Cleirens tekst niet integraal is weergegeven. De 'beschuldigingen' van Cleiren aan het adres van bepaalde wetenschappers kunnen dan zelf weer uit verband zijn geciteerd enz. Ook kan Ton Derksen selectief hebben gereageerd enz. enz. Doordat persoonlijkheden, al dan niet huns ondanks, als persoon 'partij' zijn geworden (zie bv. hoe Derksen zijn rol en die van zijn zus in de herzieningsverklaring aanzet) kan zoiets bijna niet anders dan ontaarden in het over en weer in twijfel trekken van elkanders 'papieren' of 'geloofwaardigheden'.

Dat Ton Derksen inmiddels een tweede boek heeft geschreven over 'juridische dwalingen' doet de discussie over Lucia de B. ook niet veel goed. Waar het boek over Lucia de B. - en dan met name het middenstuk - en sterk staaltje was van het weergeven van feiten en het transparant duiden daarvan (je kunt als lezer besluiten de duiding niet te volgen), lijkt Ton Derksen nu op hol geslagen te zijn en zich te beschouwen als een nieuwe autoriteit als het gaat om rechterlijke dwalingen. Zijn analyse van de andere zaken die hij in zijn tweede boek bespreekt, is echter zwak en waar die sterk is, niet origineel. De context (Mega-manco's van het OM) is weinig overtuigend en komt - ook vanwege de term 'mega-manco' - soms bijna infantiliserend-belerend over. Als Cleiren de kritiekpunten die zij geformuleerd lijkt te hebben over de inbreng van wetenschappers in de zaak Lucia de B. zou maken over het nieuwe boek van Ton Derksen, dan zou die kritiek slaapverwekkend triviaal zijn. In het tweede boek is duidelijk iemand aan het woord die denkt dat een juridische argumentatie vergelijkbaar is met een wetenschappelijke argumentatie.

Bovendien lijkt Ton Derksen niet te beseffen dat het OM en andere in het recht betrokken instanties in personen niet de luxe hebben dat zij vier, vijf of twintig jaar kunnen uittrekken om een wetenschappelijk onderwerp te bestuderen. Uitzonderingen daargelaten (zoals de exorbitante investering in tijd en middelen die gestopt is in het onderzoek naar de zaak Seveke in Nijmegen) hebben de verantwoordelijke instanties beperkte tijd en beperkte middelen. Dat daardoor bepaalde stukjes bewijsmateriaal niet goed of eenzijdig geduid worden, of geheel over het hoofd gezien worden, mag niet verbazen. Dat hoeft niemand ervan te weerhouden daar waar de gelegenheid zich voordoet daarop te wijzen. Maar om nu vanaf de zijlijn met het vingertje wat te gaan mopperen over de Mega-Manco's, dat lijkt me wat overdreven.

Dat met het instellen van een onafhankelijke Herzieningscommissie deze "mega-manco's" geneutraliseerd zouden kunnen worden, is onwaarschijnlijk. Hier geldt ook niet "als het niet baat, dan schaadt het niet". Het instellen van een toetsingscommissie is zinloos als dit niet gepaard zou gaan met een herijking van de functie van bepaalde bestaande instituties. Met name de 'spelregels' rond de toetsing van het bewijsmateriaal op de verschillende gremia zou heroverwogen moeten worden. Het is NIET zonder maatschappelijk risico beroepsgremia in de rechterlijke hierarchie het recht tot een herijking van het bewijsmateriaal te (blijven) ontzeggen om dan naast de rechterlijke hierarchie een 'onafhankelijke' commissie in te stellen die het bewijsmateriaal wel vanaf nul door zou kunnen gaan nemen. (Wat niet wil zeggen dat dit risico niet aanvaardbaar zou kunnen zijn.)

Om hier een (hachelijke) analogie-redenering te gebruiken: het instellen van een onafhankelijke herzieningscommissie is vergelijkbaar met het instellen van een onafhankelijke, tweede promotiecommissie in het universitair onderwijs om proefschriften nog eens extra te toetsen (vgl. affaire Cabbolet). Wie een dergelijk voorstel in het universitaire wereldje zou doen, zou met pek en veren worden buitengekegeld, en als het voorstel zou worden aangenomen zou mening hoogleraar zich twee, drie of tien keer gaan bedenken alvorens in een promotiecommissie zitting te nemen.