Dijsselbloem en het vooringenomen standpunt

Ria Bronneman is onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau en schreef in opdracht van de commissie Dijsselbloem één van de vijf onderliggende studies op grond waarvan de commissie een negatief oordeel heeft over de onderwijsvernieuwing van de afgelopen twintig jaar Het rapport van de commissie Dijsselbloem is volgens haar weliswaar degelijk rapport, maar de commissie vertelt daarmee niet het hele verhaal (NRC, 14.6.08). Zo is er te weinig aandacht voor het feit dat de economische omstandigheden die begin jaren negentig slecht waren, dat er bezuinigd moest worden, dat de motivatieproblemen onder scholieren toenamen, dat een andere didactische aanpak noodzakelijk was, dat het opleidingsniveau van ouders steeg, waarmee ook de kritiek op het onderwijs toenam en dat er sprake was van een toegenomen immigratie. “Kortom: dat onderwijsvernieuwingen noodzakelijk waren.”
De commissie heeft volgens Bronneman teruggeredeneerd vanuit het huidige crisisgevoel over het onderwijs. Feitelijk zegt ze daarmee dat de commissie haar conclusie als uitgangspunt nam en vervolgens terugredeneerde. De commissie had echter ook meer reconstruerend te werk gaan. “In dat geval wordt er vooruitgekeken met de ogen van de beleidsactoren van destijds. Er is dan meer aandacht voor de context, de oorzaken, het waarom van het gevoerde beleid.”
Bronneman wijst op het verschijnsel dat naarmate de maatschappelijke onrust, men eerder geneigd is te kiezen voor de terugkijkende benadering. Bij een reconstruerende benadering loopt men namelijk het risico dat men moet concluderen dat de toenmalige beleidsmakers niets te verwijten valt. Een dergelijke conclusie zou slecht vallen, omdat dat bijdraagt tot een zekere legitimatie van wat er is geschied. Door zo’n soort conclusies zou het rapport vermoedelijk negatief ontvangen zijn.
Analyse. Bronneman is eigenlijk te aardig voor de commissie als ze zegt dat deze ook meer reconstruerend te werk kan gaan. Met name dat ‘ook meer’ moet feitelijk weggelaten worden. De commissie had alleen maar reconstruerend te werk moeten gaan. Het terugredeneren vanuit de conclusie dat de kwaliteit van het onderwijs te laag is, leidt uiteindelijk tot de conclusie dat de kwaliteit van het onderwijs te laag.
De conclusie, dat het onderwijspeil (te) laag is, kan namelijk niet als evident uitgangspunt in een argumentatie worden opgenomen. De onderzoeksliteratuur over het prestatieniveau was en is (nog steeds) verre van eenduidig (zie Dijsselbloem en selective pleading).
Kees de Glopper, hoogleraar Taalbeheersing van het Nederlands aan de Rijksuniversiteit Groningen en directeur van het Etoc (Expertisecentrum taal, onderwijs en communicatie), analyseerde in een buitengewoon intelligent betoog de conceptuele verwarring die mijns inziens kenmerkend is voor de discussie over het onderwijs. Zijn punt is dat de schaarse betrouwbare gegevens die we over het onderwijspeil hebben, boekdelen spreken. Uit PPON, het Periodiek Peilingonderzoek van het Onderwijsniveau in Nederland dat het Cito sinds 1987 uitvoert, blijkt dat er de laatste twintig jaar weinig of geen ontwikkeling is in het kennis- en vaardigheidsniveau van leerlingen uit groep 8 van de basisschool (Didaktief, 5/2008).
(Het is overigens al de tweede keer dat onderzoekers, die onderzoek verricht hebben voor de commissie-Dijsselbloem, vraagtekens zetten bij de interpretatie van hun conclusies door de commissieleden. Eerder trokken prof. Borghans en dr. Webbink aan de bel (NRC, 8.4.08).)

© 2008 R.G.M. Ritzen