Schroten en de ignoratio elenchi

Egbert Schroten, emeritus hoogleraar christelijke ethiek, is van mening dat ook vanuit het gezichtspunt van christelijke ethiek een perspectief geboden kan worden voor verantwoord embryo-onderzoek (Trouw, 10.6.08). De discussie over de ‘status’ van het menselijk embryo in de christelijke ethiek gaat volgens Schroten terug tot in de 2de eeuw tegen de achtergrond van de toenmalige abortuspraktijken. “Een embryo wordt gezien als menselijk leven in wording en de oproep van de Kerk is om dat als mens te behandelen.” Het punt is echter dat een embryo tot voor kort altijd een embryo in de moederschoot was. Hij meent dat door de ontwikkeling van de IVF- en invriestechnieken we tegenwoordig te maken gekregen met twee soorten embryo’s: die in de moederschoot en die daarbuiten. Dat laatste soort embryo’s is alleen een mens in wording als we besluiten deze in de moederschoot te plaatsen.
Een belangrijk argument van tegenstanders van embryoselectie is “dat een mens in wording ‘recht op leven’ heeft. Dat recht, zo luidt de redenatie, zou moeten worden uitgebreid naar alle gezonde embryo’s buiten de moederschoot. Al die embryo’s hebben recht op leven. Anders gezegd, wij moeten voor die –op zich kansloze embryo’s– de kans creëren om mens te worden. Maar de vraag is waarom we dat zouden moeten doen? Waarom zouden embryo’s buiten de moederschoot dezelfde rechten en ’status’ moeten hebben als embryo’s in de moederschoot die, als alles goed gaat, uitgroeien tot een mensenkind? Dat is niet een soort natuurwet maar een open vraag die niet van het begin af aan principieel is dichtgetimmerd, maar met goede argumenten beantwoord moet worden.”
De besluitvorming over embryoselectie moeten we volgens Schroten niet onmogelijk maken door argumenten van vroeger te hanteren die nu niet meer of slechts gedeeltelijk opgaan. Voor vrouwen met het borstkankergen is er geen enkele reden om op voorhand over embryoselectie een veto uit te spreken. “Integendeel zelfs, ik zou ervoor willen pleiten hun de mogelijkheid voor embryoselectie te bieden en verder de ethische discussie te openen over deze problematiek.”
Analyse. De argumentatie van Schroten verschuift gaandeweg het betoog. Eerst stelt hij dat ook vanuit het gezichtspunt van christelijke ethiek een perspectief geboden kan worden voor verantwoord embryo-onderzoek. Daarmee zegt hij nog niet dat deze selectie goed of wenselijk is. Vervolgens stelt hij de vraag waarom we voor op zich kansloze embryo’s een kans moeten creëren om mens te worden. Zijn punt is dat dit een open vraag is die niet van het begin af aan principieel is dichtgetimmerd, maar die met goede argumenten beantwoord moet worden.”
Vervolgens maakt Schroten een ongeoorloofde sprong: hij pleit voor de mogelijkheid van embryoselectie. Die conclusie volgt echter niet uit zijn betoog. Want wat heeft Schroten nu beargumenteerd? Hij zet een aantal vraagtekens, maar daarmee neemt hij inhoudelijk geen stelling in het debat. Het wijst op de historische context van het concept ‘embryo’ en wijst erop dat de status van het ‘embryo’ een open vraag is. Hij pleit, kort gezegd, voor een open discussie. Maar de uitkomst van die open discussie impliceert niet dat selectie wenselijk is. Schrotens pleidooi komt feitelijk uit de lucht vallen.

© 2008 R.G.M., Ritzen