Marcouch en het onderwijs

In het Parool pleitte Marcouch, stadsdeelvoorzitter van Amsterdam-Slotervaart, voor meer aandacht voor religie en in het bijzonder islamlessen op openbare scholen, omdat jongeren 'door hun dorst naar een religieuze identiteit in de fuik van een anti-democratische stroming' kunnen zwemmen. Het ging hem om godsdienstlessen voor kinderen die dat willen, in een apart lokaal met een bevoegd docent.
PvdA-staatssecretaris Aboutaleb en de Vereniging voor Openbaar Onderwijs in Amsterdam steunden zijn voorstel. Maar niet iedereen was even enthousiast. Jacques Vriens, kinderboekenschrijver en oud-directeur van een basisschool, steunde het voorstel wel, maar merkte ook op dat Marcouch eigenlijk niets nieuws gezegd had. “In de Wet op het Primair Onderwijs staat het gewoon: ’Het onderwijs is er mede op gericht dat leerlingen kennis hebben van en kennismaken met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdsgenoten’.”
Volgens prof. Heertje getuigde het voorstel van een groot intellectueel tekort.
Drie PvdA-raadsleden uit Slotervaart beschuldigden hun stadsdeelvoorzitter van het hebben van een islamiseringsagenda (VK, 20.6.08): “Zijn grootste angst is niet dat de jongeren radicaliseren, maar dat ze op een dag Allah de rug zullen toekeren.” De stadsdeelvoorzitter heeft echter met zijn betoog nog een ander doel voor ogen, namelijk de islam nog beter op de kaart zetten in Nederland en dit laten beginnen in het basisonderwijs. Als vrome moslim is hij namelijk niet alleen bezorgd over de radicaliserende jongeren, maar vooral over de Marokkaanse jongeren die wel moslim zijn, maar zich in de praktijk allesbehalve als een goede moslim gedragen. Dit blijkt duidelijk uit de criminaliteitscijfers, waarin Marokkaanse jongeren zijn oververtegenwoordigd. Bovendien ging het betoog van Marcouch in het Parool te ver, omdat zijn voorstel in strijd was met de scheiding van kerk en staat.
In het handelen van Marcouch zit een duidelijk patroon. Marcouch keurde het goed dat (islamitische) straatcoaches vrouwen geen hand wilden geven; hij had een discussie met de fundamentalist Fawaz en hij pleitte voor een poldermoskee van de (ex-)radicale imam Cheppi.
Marcouch noemde de aantijging “kwaadaardig en opportunistisch” (VK, 21.6.08). “Mijn agenda is glashelder: ik wil zo vroeg mogelijk burgerschap ontwikkelen. Mijn partij staat voor verheffen. Niet vanuit een ivoren toren, maar vanuit de positie van de burger die z'n eigen keuzen maakt, z'n eigen godsdienst heeft.”
Analyse. Marcouch’ motieven worden verdacht gemaakt. Onder het mom van het bevorderen van het burgerschap probeert hij te voorkomen dat Marokkaanse jongeren van hun geloof vallen. Wat is het bewijs voor die stelling? Na de beschuldiging dat Marcouch bang is dat jonge Marokkaanse jongeren van hun geloof vallen, volgen enkele alinea’s over de islam als vluchtweg en de ideeën van andere PvdA-politici, maar die kunnen niet gezien worden als premissen die de conclusie ondersteunen.
De ontbrekende premissen kunnen ook in het tekstgedeelte zitten dat aan de verdachtmaking vooraf gaat. In het begin van hun betoog wijzen de auteurs op een patroon in het handelen van Marcouch. Deze politicus keurde het goed dat (islamitische) straatcoaches vrouwen geen hand wilden geven; hij had een discussie met de fundamentalist Fawaz en hij pleitte voor een poldermoskee van de (ex-)radicale imam Cheppi. Maar wat dat patroon verder te betekenen heeft, blijft onduidelijk. Ze komen er ook niet meer op terug. Uit drie voorvallen leiden ze enkel een patroon af en daar is dan iets (?) mee.
Na de vaststelling van dat patroon, wijzen de auteurs erop dat Marcouch’ voorstel over het onderwijs op gespannen voet staat met de scheiding van kerk en staat. Die constatering is echter onjuist. Sterker nog, het is in overeenstemming met de WPO (wet primair onderwijs).
Wat overblijft, is enkel de bewering dat Marcouch een politieke agenda heeft. Deze analyse laat dan ook geen andere conclusie toe dat de auteurs zich schuldig maken aan een persoonlijke aanval.

© 2008 R.G.M. Ritzen