Germanie C. en de tasjesdief

Germaine C., de vrouw die in 2005 een tasjesdief doodreed, werd op 6 maart 2008 door de rechtbank veroordeeld tot 180 uur werkstraf. De 46-jarige vrouw werd niet veroordeeld wegens doodslag, maar wegens gevaarlijk rijden met de dood tot gevolg. Ook kreeg ze een voorwaardelijke ontzegging van haar rijbevoegdheid van zes maanden met een proeftijd van twee jaar. Justitie had tweeënhalf jaar geëist wegens doodslag.
De rechtbank vond dat er geen sprake was van voorwaardelijke opzet. Van dat laatste is sprake als Germaine C. willens en wetens het risico had genomen dat ze de tasjesdief overhoop zou rijden. Ze had tijdens het eerste verhoor bij de politie gezegd dat zij de bromfiets even wilde aantikken. Maar aan die verklaring tilde de rechtbank niet zo, omdat C. tijdens dat verhoor zeer emotioneel was. Uit de verkeersongevalanalyse, het NFI-rapport en het politierapport zou blijken dat verdachte haar auto ongewild naar rechts heeft gestuurd toen ze haar bovenlichaam verder naar rechts draaide om te kijken waar de bromfiets was gebleven. Terugkijkend zei C.: “Ik was stomverbaasd. Ik besefte dat het echt was toen de daders wegreden. Ik was niet boos, ik had geen tijd om boos te zijn. Ik wilde alleen mijn tas terug.”De rechtbank achtte aannemelijk dat C. haar tas dacht terug te kunnen krijgen enkel door het achtervolgen van de dieven. Dat was C. al eens eerder gelukt. “Er zijn voorts geen andere omstandigheden gebleken waaruit de rechtbank kan afleiden dat verdachte voor lief heeft genomen dat de tasjesdief zou worden geraakt en dood zou gaan. De enkele omstandigheid dat verdachte met haar auto hard achteruit is gereden is onvoldoende voor het bewijs van voorwaardelijk opzet.”
Nu voorwaardelijke opzet niet aan de orde is, blijft ‘roekeloos, zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag’ over. De rechtbank wijst erop dat volgens vaste jurisprudentie de gevolgen, hoe ernstig ook, geen rol spelen bij de beoordeling van de mate van schuld.
Deze redenering is te volgen.
Schuld was dus wel aan de orde. C. reed zo hard achteruit, dat ze de bromfiets, die vol gas vooruit wegreed, zelfs kon inhalen. Achteruitrijden is een bijzondere manoeuvre, die extra risico’s met zich meebrengt. Extra voorzichtigheid van de bestuurder is geboden, meende de strafrechter, zeker als er sprake is van een hoge snelheid. “Door 34 à 40 meter hard achteruit te rijden wetende dat achter de auto een zwakkere verkeersdeelnemer, te weten een bromfiets, reed, en hard achteruit te blijven rijden ook nadat verdachte het zicht op de bromfiets was verloren, heeft verdachte zich zeer onvoorzichtig gedragen.” C. verloor dan ook de controle over de auto en daardoor is ze tegen de bromfiets aangereden. Van noodweer, zoals de advocaat van C. opperde, was geen sprake. Een bestolene heeft weliswaar het recht zijn spullen van de vluchtende dief af te pakken, daaraan zijn wel grenzen gesteld. “De wijze van verdediging moet noodzakelijk en geboden zijn. Hierin ligt besloten dat de verdediging proportioneel moet zijn, dat wil zeggen, er dient een evenwicht te bestaan in de verhouding tussen het gekozen verdedigingsmiddel en het aangerande rechtsbelang.” De achtervolging van een dief op een bromfiets door 34 à 40 meter hard achteruit te rijden met weinig zicht in een smalle straat, was volgens de rechtbank duidelijk niet proportioneel. Om de (mate van) schuld te bepalen, gaat de rechtbank uit van de vraag wat de ‘gemiddelde burger’ zal doen als zijn of haar tas uit de auto wordt gestolen. In dat geval, zo meende de rechtbank, zou deze gemiddelde burger geen levensgevaarlijke achtervolging inzetten op de manier zoals C. dat deed. “Als er al drang mocht bestaan om de levensgevaarlijke achtervolging in te zetten, dan zal daar weerstand aan geboden moeten worden.” C. had zich dus volgens de rechtbank moeten beheersen. Van psychische overmacht was geen sprake.
Het verhaal van de raadslieden dat C vanwege haar persoonlijkheid geen weerstand kon en behoefde te bieden aan de drang om de achtervolging in te zetten, legde de rechtbank naast zich neer.
Uit het rapport van een klinisch psycholoog zou blijken dat C. door haar ik-gerichtheid, haar gebrekkige impulscontrole en haar sociale onverstoorbaarheid tot haar gevaarlijke achtervolging is gekomen. Maar het feit dat verdachte zich vanuit haar persoonlijkheid moeilijk kon beheersen, maakte haar niet straffeloos. Haar persoonlijkheidsstoornis liet de rechtbank wel meewegen in de zwaarte van de straf. Bovendien werd rekening gehouden met het feit dat C. ongewild een bekende Nederlander geworden is, hetgeen haar leven in negatieve zin heeft beïnvloed en wellicht nog zal beïnvloeden.
Analyse. Voorwaardelijke opzet was volgens de rechtbank dus niet aan de orde. “De enkele omstandigheid dat verdachte met haar auto hard achteruit is gereden is onvoldoende voor het bewijs van voorwaardelijk opzet.” Dat laatste mag dan wel kloppen, maar bij de behandeling van de verweren van de raadsheren van C. haalde de rechtbank steeds omstandigheden aan die gezamenlijk wel degelijk tot de conclusie ‘voorwaardelijke opzet’ zouden moeten leiden. Het beroep op noodweer
wees de rechtbank af onder verwijzing dat de wijze van verdediging disproportioneel was, dat er weinig zicht was en dat de straat smal was; het beroep op noodweerexces wees de rechtbank af onder verwijzing naar de omstandigheid dat C. niet boos, maar enkel stomverbaasd was; het beroep op psychische overmacht wees de rechtbank af onder verwijzing naar wat de gemiddelde burger zou doen.
Schuld werd aannemelijk geacht onder verwijzing naar de omstandigheid dat C. hard reed, dat het lastig is om de auto onder controle te houden en dat het zicht beperkt was.
Als we nu alle door de rechtbank apart gegeven motiveringen als het ware bij elkaar optellen, gebeurt er iets merkwaardigs. We krijgen dan namelijk het volgende beeld: C. reed enorm hard achteruit in de smalle straat die geen manoeuvreerruimte bood; dat vereist een vaardigheid om adequaat te kunnen rijden; er was slecht zicht; C. was niet boos, maar stomverbaasd over de diefstal; de gemiddelde burger zou veel anders reageren. Bovendien vond het voorval op 17 januari 2005 ’s avonds om half zeven plaats. Het was dus ook nog eens donker.
Wie mijns inziens willens en wetens in deze omstandigheden handelt als C., neemt het risico op de koop toe dat er (dodelijke) ongelukken gebeuren. In die zin is er dus op basis van alle overwegingen van de rechtbank wel degelijk sprake van voorwaardelijke opzet.

© 2008 R.G.M. Ritzen