Rutte, Heine & Rinxten en de kwestie 'Budak'

De vrijheid van meningsuiting houdt de gemoederen bezig in de vorm van Fitna, matige cartoons en al dan niet terecht verondersteld borderlinegedrag van onze ministers. Hieronder eerst drie commentaren:

VVD-leider Mark Rutte (NRC, 21.6.08):
“Alles wat naar kwetsen of beledigen zweemt, wordt zonder aarzelen verboden. Woordenboeken worden opgeschoond (de beruchte politieke correctheid) en 'spraakcodes' moeten ervoor zorgen dat niemand zich onbedoeld beledigd kan voelen door de uitlatingen van een ander. De vrijheid van meningsuiting dreigt zo ondergeschikt te worden gemaakt aan het recht niet beledigd, gekwetst of zelfs maar geïrriteerd te worden.”

Columnist Bas Heine (NRC, 31.5.08):
De vrijheid van meningsuiting is een groot goed – jammer dat de opwinding die nu over de opiniepagina’s raast daar niets mee te maken heeft. Welke mening zou in Nederland niet verkondigd mogen worden? Je kunt in het hedendaagse Nederland gerust zeggen dat de islam een achterlijke godsdienst is – en ook dat homoseksuelen lager zijn dan honden en varkens, of dat ongelovigen hun dagen slijten in een staat van dierlijk onbewustzijn, het zijn net honden eigenlijk. Je mag vinden dat Wilders wel of niet op Hitler lijkt, en met Rita Verdonk mag je vinden dat het Arabische deuntje in het Nederlandse Songfestivalliedje vijftien miljoen autochtone Nederlanders ernstig tekortdoet. Je mag zeggen dat moslims een bedreiging voor onze samenleving vormen, dat de hoofddoek een symbool van onderdrukking is, dat het Westen door en door verrot is en ook dat het Sinterklaasfeest verboden zou moeten worden. Je mag zeggen dat negers dom zijn, homo’s op dieven lijken, en dat Chinezen stinken. Steeds meer mensen durven dat soort dingen te zeggen – en tegelijk beweren ze dat je in Nederland steeds minder mag zeggen.”
Dat laatste, zo stelt Heine vast, is een misverstand. Het wordt volgens hem veroorzaakt door het feit dat steeds meer mensen er niet goed tegen kunnen wanneer hun mening hun niet in dank wordt afgenomen. “Wat bedreigd wordt, is niet de vrijheid om iets te zeggen. Wat bedreigd wordt, is de vrijheid om iets terug te zeggen.”

Rik Pinxten en Björn Siffer van de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging. (De Standaard 21.6.08):
“Wilders beroept zich graag op de vrijheid van meningsuiting, maar vergeet dat dit instrument werd uitgevonden in de periode van de Franse Revolutie met als bedoeling om minderheden om minderheden te beschermen door ze zonder angst voor represailles hun zeg te laten doen. Vandaag wordt dit recht op vrije meningsuiting misbruikt wordt om scheldpartijen van meerheden tegen minderheden te rechtvaardigen.”

Analyse. Deze drie citaten wil ik afzetten tegen de kwestie ‘Budak’. Onlangs knikkerde VVD-er Geert Dales (hogeschoolbestuurder van INHolland) docent Budak uit zijn instituut, omdat deze op een website van een omroep (NIO) iets geschreven had dat in strijd zou zijn met de Nederlandse wet. Juridisch gezien aperte nonsens, zoals ik elders al schreef.
Rutte maakte al dan niet terecht een hele heisa over het verhoor van de cartoonist, maar hield zich stil toen zijn partijgenoot Budak feitelijk monddood maakte door eerst te dreigen met ontslag en vervolgens de daad bij het woord te voegen. (En Budak stonk er helaas in door in te stemmen met het ontslag.)
Dat maakt Ruttes betoog op zich nog niet onjuist, maar juist door zijn selectieve verontwaardiging roept dit de vraag op waarom hij in het ene geval wel (Nekschot) en in het andere geval niet (Budak) opkomt voor de vrijheid van meningsuiting.
Heines analyse is interessant, maar in het licht van de kwestie Budak niet erg waarschijnlijk. De voorbeelden geven aan wat allemaal mag. Maar het zijn voorbeelden die voornamelijk door dominante partijen naar voren worden gebracht. Maar geldt die vrijheid van meningsuiting ook voor Budak? Als een Turks meisje anoniem een islamitisch oordeel vraagt over wat ze moet doen nadat ze door haar neef verkracht is, dan levert een fout antwoord een ontslag op. En wat is dan een fout antwoord?
Als zij thuis zou vertellen wat er gebeurd was, zou ze verstoten worden. Hij adviseerde haar naar de rechter te gaan, met de familie van de dader te praten of met iemand voor wie die neef bang voor was of hem te vergeven. En verder was het niet handig om alleen met een man in een afgesloten ruimte te zijn. Ook voegde hij er nadrukkelijk aan toe dat zij geen schuld had.
Mag je in Nederland dus alles roepen? Budak in elk geval niet. In de media werd nauwelijks aandacht besteed aan dit voorval en voor zover er al melding werd gemaakt, werd Budaks standpunt behoorlijk vertekend. Het absolute dieptepunt in de berichtgeving was het commentaar van prof. Ellian in Elsevier. Met wat verzonnen premissen liet hij Budak figureren in het gezelschap van de Taliban. Een analyse die kant noch wal raakte, maar wel paste in de berichtgeving van Elsevier (Onlangs werd in dit weekblad melding gemaakt van de nietigverklaring van een huwelijk, omdat het meisje tegen haar toekomstige echtgenoot had gezegd dat ze nog maagd was. Hoewel in het oorspronkelijke artikel in La Liberation stond dat beide personen niet extreem islamitisch waren, liet Elsevier in het bericht de sharia vallen. De echtgenoot wilde geen huwelijk dat gebaseerd was op een leugen. De Franse wetgeving staat dit toe. De sharia was niet aan de orde.)
Het commentaar van Pinxten en Siffer werpt in elk geval een ander licht op de vrijheid van meningsuiting. Volgens Dales heeft Budak het recht om te denken wat hij wil, maar als daarop een sanctie van ontslag staat, heeft Budak dus alles behalve recht op een vrije meningsuiting. (De facto volgde immers ontslag.) Kennelijk geldt die vrijheid van meningsuiting niet voor Budak.

© 2008 R.G.M. Ritzen