Crombag, Van Koppen en Israëls en het opblazen van een vooronderstelling

Professor Cleiren lijkt “te denken dat de bewijsmiddelen er niet zoveel toe doen, het gaat om de rechterlijke overtuiging”, menen de rechtspsychologen prof. Peter van Koppen, prof. Hans Crombag en dr. Han Israëls (NRC, 12.7.08) “Dat die overtuiging op wettige bewijsmiddelen moet zijn gebaseerd en op niets anders, laat zij onvermeld. Zo wordt die overtuiging een zelfstandig bewijsmiddel, dat aan geen restrictie gebonden is en waar ook niets tegen in te brengen is.”
Wat schreef Cleiren precies? “De rechter moet een overtuiging hebben, op basis van een minimale hoeveelheid bewijs” (NRC, 28.6.08).
Analyse. Van Koppen, Crombag en Israëls blazen Cleirens vooronderstelling op. Dat met de stelling 'de rechter moet een overtuiging hebben, op basis van een minimale hoeveelheid bewijs' wordt voorondersteld dat bewijsmiddelen er niet zoveel toe doen, ontgaat mij. Cleiren geeft niet veel ander weer dan hetgeen in art. 338 Sv staat: de overtuiging van de rechter moet gebaseerd zijn op wettige bewijsmiddelen. Daarmee is niet geïmpliceerd dat de overtuiging dus een zelfstandig bewijsmiddel is dat niet aan restricties gebonden is.
In de formulering van art. 338 Sv komt de Nederlandse (en Duitse) traditie tot uitdrukking: het bewijzen in het strafproces wordt in eerste instantie benaderd vanuit de oordelende rechter, waarbij het accent ligt op de beslissing of hetgeen bewezen moet worden ook bewezen is. Dat staat tegenover de traditie in het landen met een Comman Law stelsel. Daarin wordt het bewijzen in het strafproces benaderd vanuit de procespartijen: die dragen de bewijslast. Het accent ligt op het aantonen van hetgeen bewezen moet worden. (Dat geldt overigens niet alleen voor Common-Lawlanden, maar ook voor België en Frankrijk.)