NRC en de objectiviteit (2)

De bevindingen van de commissie-Dijsselbloem over de kwaliteit van het onderwijs galmen ook in de berichtgeving in het NRC nog steeds na. Vanaf het begin van dit jaar tot halverwege augustus verschenen in deze krant 94 artikelen over de kwaliteit van het Nederlandse basisonderwijs en voortgezet onderwijs. Het ging daarbij om journalistieke artikelen, ingezonden stukken, interviews, columns en redactionele commentaren. Wat opvalt is, dat van al die artikelen er slechts één een positieve strekking had over de kwaliteit van het onderwijs, namelijk een interview met Visser ’t Hooft. Tegenover dat éne positieve artikel stonden maar liefst 53 artikelen waarbij de strekking was dat de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs niet deugt. In vier andere artikelen werd het rapport van de commissie-Dijsselbloem bekritiseerd en de rest van de artikelen had een neutraal karakter. Kortom, een weinig evenwichtig beeld.
Nu dient de verhouding 1 : 53 wel enigszins genuanceerd te worden, aangezien 38 artikelen over de commissie-Dijsselbloem gingen en die commissie oordeelde negatief over het onderwijs. Dan is het logisch dat de teneur van die artikelen ook negatief is. Maar dan nog: in slechts vier van de 38 artikelen werd een kritische noot geplaatst bij de conclusies van die commissie. Overigens was er veel meer kritiek op Dijsselbloem. Zo maakte prof. Kirschner (UU) korte metten met Dijsselbloems eis over de wetenschappelijke onderbouwing van vernieuwingen. Prof. Verbiest wees op de tegenstrijdige aanbevelingen van de commissie.
Zoals ik een paar dagen geleden als schreef, wordt het nog frappanter als in het NRC internationaal vergelijkend onderzoek als PISA wordt aangehaald. Als uit dit onderzoek een positieve conclusie voor bepaalde deelgebieden uit het onderwijs getrokken werd, voegden de journalisten er ogenblikkelijk aan toe dat dit onderzoek niet deugt. Dat gebeurde drie keer. In vijf andere artikelen werd een negatief oordeel geveld over de prestaties in andere deelgebieden in het onderwijs, maar nu werden alle conclusies instemmend én zonder enig voorbehoud aangehaald. Er wordt dus duidelijk met twee maten gemeten. Het PISA-onderzoek deugt alleen als een negatief oordeel over de kwaliteit van het onderwijs geveld wordt.
Nog een voorbeeld. Zo werd wel voormalig Cito-medewerker Van Dam aan het woord gelaten, die stelde dat uit de peilingen van het Cito keer op keer blijkt dat het niveau van alle vakken de laatste twintig jaar onder de maat is. Maar wat we niet in het NRC lazen, is dat de benadering van het Cito al jaren behoorlijk onder vuur ligt. Critici merken op dat de norm bij gebrek aan beter wordt vastgesteld door deskundigen en al meer dan twintig jaar is bekend dat aan hun vermogen om de moeilijkheidsgraad van toetsopgaven adequaat in te schatten, veel schort.
Een ander voorbeeld is de berichtgeving over de commissie-Meijerink. Deze commissie stelde dat het niveau van het Nederlandse onderwijs te laag is. De afgelopen maanden werden de bevindingen van deze commissie in zeven artikelen instemmend aangehaald. Ook nu kwamen critici niet aan het woord. Zo schreef Kees de Glopper, hoogleraar Taalbeheersing van het Nederlands aan de Rijksuniversiteit Groningen en directeur van het Etoc (Expertisecentrum taal, onderwijs en communicatie) over de commissie-Meijerink: “Deze commissie meent dat Nederlandse scholieren van 15 jaar oud het de afgelopen jaren slechter zijn gaan doen. Een conclusie die ze niet mogen trekken, omdat het zogeheten PISA-onderzoek waar ze dat op baseren, voor de periode 2003-2006 geen statistisch significante verschillen laat zien. In iedere introductiecursus statistiek leer je dat je dan niet over ‘daling’ mag spreken.”
De negatieve teneur is onmiskenbaar aanwezig. Een verklaring kan natuurlijk zijn dat er eenvoudigweg niets positiefs over het onderwijs te melden viel en valt. Maar ook dat is niet juist. Relativeringen van de daling van het onderwijsniveau en van het te lage niveau waren en zijn er wel degelijk. De al eerder aangehaalde De Glopper stelde onlangs nog dat het onderwijspeil niet gedaald is. Jaap Scheerens, hoogleraar Onderwijskunde aan de Universiteit Twente, wees op het feit dat voor alle drie de basisvakken in het basisonderwijs consistent betrekkelijk hoog gescoord wordt. Een lichte daling in de prestaties bij de vakken lezen en wiskunde, zo stelde hij verder, wordt meteen als neergaande trend uitgelegd. Maar ook zijn uitspraken lazen we niet in het NRC. Zelfs Rob Martens, nota bene hoogleraar onderwijsinnovatie, zagen we niet terug, ondanks het feit dat hij bij uitstek de specialist is op dit terrein en hij in het tijdschrift Vernieuwing de onderwijskritiek tot op het bot fileerde. In deze tijd bekken positieve verhalen over het onderwijs niet goed.
Als we de balans opmaken, dan moeten we concluderen dat de berichtgeving over het onderwijs in het NRC behoorlijk eenzijdig is. De befaamde objectiviteit waarmee deze krant pronkt, is wat de berichtgeving over de kwaliteit van het onderwijs betreft, dan ook helaas ver te zoeken. Rob Martens vroeg zich af waar de tegengeluiden gebleven waren. In elk geval verschenen ze niet in het NRC. Wel in Trouw.
(Zie ook: het gedraai van Prick ; de wonderbaarlijke verbanden van Sommer en de onderwijswereld van Truijens.)

Naschrift: bovenstaande stukje heb ik opgestuurd naar het NRC (lezer schrijft, krant antwoordt) maar een reactie heb ik nooit ontvangen. Waarschijnlijk zal het te maken met het feit dat alleen echt belangrijke kwesties besproken worden. Daarom een kleine greep uit de zaken die er wel toe doen:
“Tot mijn verbazing wordt door uw sportredactie nauwelijks aandacht besteed aan het wedstrijdzeilen op de Olympische Spelen in China.”
“Net als bij de vorige tabloidiseringsstapjes bij deze mijn hartelijke instemming. Inderdaad, zoals de hoofdredacteur schrijft, méér leesgemak. Waarbij minder schouderpijn voor de lezer en minder hinder voor de medereiziger ook een belangrijke rol spelen, evenals de rustiger opmaak van de pagina’s.” (Dit naar aanleiding het verschijnen van twee nieuwe katernen op tabloidformaat.)
“Nog steeds lukt het NRC Handelsblad niet kleurenafbeeldingen goed af te drukken. De Ateliers uit Zaterdag & Ecetera van 13 september zien er zeer onaantrekkelijk uit. De kleuren staan millimeters naast elkaar. Waarom gaat het niet altijd goed?”
Onlangs mochten dertien hoogleraren in het NRC onlangs wel een tegengeluid laten horen en dat leverde meteen een forse reprimande van de wiskundige prof. Peletier (BON) op.