Schutgens en de pathetische drogreden

In het artikel ‘Maak hbo’er geen rechter of officier’ (VK, 31.7.08) van Roel Schutgens (Radboud Universiteit Nijmegen) stelt hij dat het kabinet de opleidingseisen voor rechter en officier van justitie verlaagt en versimpelt nu hbo’ers rechter of officier van justitie kunnen worden. Een slechte zaak, want “goede rechtspraak, een goed vervolgingsbeleid en goede rechtshulp vereisen de betrokkenheid van deskundigen met een breed geschoolde juridische expertise. In een niet al te ingewikkelde strafzaak moeten rechter, officier en advocaat zich algauw door zo'n halve meter dossiers heenwerken, daaruit de relevante feitelijke en rechtsvragen destilleren, tegenstrijdige verklaringen, bewijsmiddelen en standpunten tegen elkaar afwegen, een adequate inschatting maken van de juridische houdbaarheid van de argumenten en steeds het overzicht bewaren over het geheel - dit alles snel, efficiënt en bij voorkeur zonder blunders. De hiervoor noodzakelijke juridische werk- en denkhouding wordt bij uitstek opgedaan in een volwaardige universitaire opleiding.”
Aan de rechtenfaculteit waar hij werkt, is enige ervaring opgedaan met hbo’ers en die is niet erg positief. Deze hbo’ers “zelf zeggen een groot verschil in de complexiteit en abstractie van de behandelde stof te ervaren. (…) De gemiddelde hbo'er heeft bij aanvang van het universitaire masterjaar dan ook een andere achtergrond dan de reguliere student (doorgaans vijf jaar havo, gevolgd door een hbo-bachelor plus een academisch schakeljaar tegenover doorgaans zes jaar vwo, gevolgd door een bachelor op de universiteit). Dit is een andersoortige vooropleiding, waarin andersoortige competenties zijn ontwikkeld. Met het lichte, niet van inhoudelijke eisen voorziene schakeljaar dat het kabinet voorstelt, loop je dat verschil niet in. (…) Het zou getuigen van weinig voeling met maatschappelijke ontwikkelingen om in een tijd waarin het gezag van de togaberoepen toch al lijkt af te kalven, de opleidingseisen te versimpelen.”
Analyse. De inhoudelijke eisen zijn helemaal niet veranderd. Om rechter of officier van justitie te worden, moet een student (nog steeds) een éénjarige master aan een universitaire juridische faculteit gevolgd hebben en daarna, mits hij door de selectie komt, de raio-opleiding (rechterlijk ambtenaar in opleiding) afronden. Alleen het voortraject is enigszins anders.
Wie naar de master wil, moet eerst drie jaar universiteit of – en dat is het enige nieuwe - vier jaar HBO-rechten en minimaal een jaar universiteit gevolgd heeft). Een student die een juridische universitaire master haalt, heeft daarmee bewezen een academisch denkniveau te hebben, omgeacht het voortraject.
De ‘enige jaren ervaring’ met hbo’ers waarover Schutgens rept, bestaat uit een ervaring met niet meer dan een handjevol studenten. Bovendien ‘vergeet’ hij dat uit die lichting studenten (die eerst hbo-rechten gestudeerd hadden) enkele cum laude afgestudeerd zijn.
Ook maakt Schutgens, die overigens de opleiding voortdurend met een onjuiste naam aanduidt, zich schuldig aan een pathetische drogredenen door te wijzen op “de pijnlijke missers van de rechterlijke macht en het OM”. Door het voorstel in verband te brengen met het schrikbeeld van zaken als Lucia de B. en de Schiedammer parkmoord, doet hij een beroep op het angstgevoel. Pijnlijke uitglijders en hbo’ers worden op deze wijze aan elkaar gerelateerd.

© 2008 R.G.M. Ritzen