Thorarinssons en de overhaaste generalisatie

“Rechters kennen nauwelijks de caps-lock functie”, meent de IJslandse advocaat Gunnar Thor Thorarinsson. Hij verdedigde een voormalig medewerker van een bedrijf in een fraudezaak. Een deel van het bewijs bestond uit e-mails, maar een groot deel van die e-mails werd alleen op de computer van de eiser gevonden. De eiser koesterde wrok tegen de gedaagde en dus rees terecht de vraag of de e-mails wel echt waren. Aangezien de politie de log-file niet gekopieerd had, mochten de e-mails uiteindelijk niet worden ingebracht als bewijs (NRC, 23.8.08).
Analyse. Generaliseert Thorarinssons? Afgelopen zomer was er in Londen een conferentie over ‘digitaal bewijs’ en de daar aanwezige rechters gaven toe dat ze vaak niet wisten wat de laatste ontwikkelingen op dat terrein zijn. Maar dat geldt ook voor – bijvoorbeeld - DNA-bewijs. Ook dan is de rechter aangewezen op forensische experts, die tekst en uitleg komen geven.
Van Eijk, werkzaam op de afdeling digitale technologie en biometrie van het NFI, is zo’n expert. Hij zei in het NRC te kennen dat de vragen die het hof over het digitale bewijs heeft soms wat onhandig geformuleerd zijn. “Maar het hof weet wel vaak wat het wil weten.” Zijn ervaring wijst in de richting dat Thorarinssons generaliseert.

© 2008 R.G.M. Ritzen