Rozendaal en de onjuiste conclusie

De levensverwachting van een Chinees die in 1950 werd geboren, was 40,8 jaar. Nu is dat 70,8 jaar. In 1950 zit hij – gemiddeld – twee dagen op school. In 1992 was dat opgelopen tot negen jaar. In 1978 leefden naar schatting 250 miljoen Chinezen in armoede, maar in 1994 liep dat terug tot 80 miljoen. De kindersterfte daalde van 19,5% tot 0,03%. In 1950 had de gemiddelde Chinees 2115 calorieën tot zijn beschikking. Onder Mao – in 1961 - liep dat terug tot 1641, maar in 2002 was dat 2951. Tussen 1959 en 1961 stierven 30 miljoen Chinezen aan hongersnood; nu niemand meer.
De luchtvervuiling in Peking was vergelijkbaar met die van Athene in 2004; Atlanta – in 1996 – was zelfs viezer. De concentratie zwaveldioxide in lucht daalde rond Peking van 71 microgram per kubieke meter in 2000 tot 47 in 2007.
“Op basis van deze cijfers kan de stelling worden verdedigd dat er weinig landen in de wereld zijn waar de afgelopen decennia de mensenrechten zo spectaculair zijn verbeterd als in China”, meent Simon Rozendaal in Elsevier (16.8.08).
Analyse. In hetzelfde artikel vermeldt Rozendaal op een andere plek in het artikel dat de Wereldbank vorig jaar concludeerde dat van de twintig meest vervuilde steden ter wereld er zestien in China liggen.
Maar los daarvan is het onjuist om op basis van de bovenstaande cijfers te concluderen dat de mensenrechten zo spectaculair verbeterd zijn. Hooguit kan Rozendaal concluderen dat de levensomstandigheden spectaculair zijn verbeterd.
De categorie 'mensenrechten' omvat zowel de materiële levensomstandigheden, als de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van onderwijs, de vrijheid van vergadering etc. Met andere woorden, de categorie 'mensenrechten' is veel breder dan Rozendaal vooronderstelt. Hij stelt ze echter - ten onrechte - op één lijn.