Ellian versus Schuyt

Foto van R.G.M. Ritzen, Gaius (Rome)

In Trouw (23.08.08) publiceerde de socioloog prof. Kees Schuyt een artikel over de vraag onder welke voorwaarden burgerlijke ongehoorzaamheid acceptabel is. “De wetsovertreding komt voort uit het geweten, is weloverwogen, men heeft eerst andere wettelijke middelen gebruikt, de handeling geschiedt openlijk, er moet een symbolische samenhang bestaan tussen daad en de te overtreden wet, men werkt vrijwillig mee aan arrestatie en vervolging, men aanvaardt het risico van straf, de rechten van anderen worden zoveel mogelijk geëerbiedigd. En vooral: de actie is geweldloos.”
In zijn column in het
NRC (13.09.08) bekritiseert de Leidse hoogleraar Ellian het gedachtegoed van Schuyt. “Ook Volkert van der G. en Mohammed B. waren gewetensvolle personen. Waarom zou hun geweten slechter zijn dan het geweten van Kees Schuyt? Ze hanteren alleen andere maatstaven voor waarheid en gerechtigheid als grondslag van hun geweten. Geweten, buiten een tiranniek regime, is een lege politieke formule. Een weloverwogen wetsovertreding legitimeert die wetsovertreding niet.”
Volgens Ellian zijn illegale, buitenparlementaire handelingen per definitie gewelddadig, want wie willens en wetens en zonder individuele rechtvaardiging wetten schendt, “past al enige mate van geweld toe om de wet te ontkrachten.”
Schuyt eindigt in de ogen van Ellian met een merkwaardige zin waarmee hij de legitieme voorwaarden voor buitenparlementaire acties omschrijft: ‘Of als heilige boeken bij wet worden verboden.’ “Mogen van Schuyt ‘niet heilige’ boeken wel worden verboden?”, vraagt Ellian zich af.
Analyse. De Leidse hoogleraar maakt zich schuldig aan drie drogredenen. Ik zal de betreffende passages met de argumentatiefouten één voor één nalopen:
(1). “Ook Volkert van der G. en Mohammed B. waren gewetensvolle personen. Waarom zou hun geweten slechter zijn dan het geweten van Kees Schuyt? Ze hanteren alleen andere maatstaven voor waarheid en gerechtigheid als grondslag van hun geweten. Geweten, buiten een tiranniek regime, is een lege politieke formule. Een weloverwogen wetsovertreding legitimeert die wetsovertreding niet.” Schuyt formuleert zijn voorwaarden als cumulatieve voorwaarden. Dat wil zeggen, dat aan alle voorwaarden voldaan moet worden om te kunnen spreken van de gerechtvaardigde burgerlijke ongehoorzaamheid. Het gaat dus niet om alternatieve voorwaarden, waarbij geldt dat aan minimaal één voorwaarde voldaan moet zijn, wil men kunnen spreken van gerechtvaardigde burgerlijke ongehoorzaamheid. Dus het gegeven dat Volkert – in zijn eigen ogen – gewetensvol handelt, is niet voldoende om te stellen dat deze handelingen onder het predicaat ‘burgerlijke ongehoorzaamheid’ valt.
(2). “Schuyt eindigt met een merkwaardige zin waarmee hij de legitieme voorwaarden voor buitenparlementaire acties omschrijft: ‘Of als heilige boeken bij wet worden verboden.’ Mogen van Schuyt ‘niet heilige’ boeken wel worden verboden?”
Weliswaar voorziet Ellian zijn kritiek van een ‘vragend’ jasje, maar het is een retorische vraag. Als Ellians tegenwerping correct is, zou het argumentatieschema: (((als a dan b) en niet-a) dan niet-b)) correct moeten zijn. Een dergelijke argumentatie is echter niet correct. Het correcte argumentatieschema is (((als a dan b) en niet-b) dan niet-a)).
(3) “Illegale, buitenparlementaire handelingen zijn per definitie gewelddadig. Immers, wie willens en wetens, zonder individuele rechtvaardiging, de wetten schendt, past al enige mate van geweld toe om de wet te ontkrachten.”
De stelling dat illegale, buitenparlementaire handelingen per definitie gewelddadig zijn, is in tegenspraak met de onderbouwing. Eerst stelt Ellian dat die handelingen per definitie, dus zonder meer, gewelddadig zijn, maar vervolgens bouwt Ellian een restrictie in: het om handelingen zonder individuele rechtvaardiging.
Bovendien is er sprake van een ambivalentiedrogredenen. Ellian definieert elke schending van de wet als gewelddadig. Elke auteur – dus ook Ellian - mag zijn eigen stipulatieve definitie introduceren, maar het dient dan wel duidelijk te zijn dat Schuyt zijn definitie niet deelt. In Schuyts ogen kan een schending van de wet wel degelijk geweldloos zijn. Ellian wijst dan ook geen tekortkoming in de argumentatie van Schuyt aan, maar hanteert een afwijkende definitie en bekritiseert Schuyt vervolgens op basis van die andere invulling van die definitie.
Ik vraag me af wat Ellian van het leerstuk ‘ontbreken van materiële wederrechtelijkheid’ vindt. Er is dan sprake van straffeloosheid op grond van een rechtvaardigingsgrond die gelegen is buiten de wet. Het klassieke arrest in dit verband is de veearts uit Huizen. Hij verrichte een illegale handeling door onbesmette koeien bij besmette koeien te brengen. Dat was illegaal, want het was in strijd met de Veewet. Maar het was een uitstekende vorm van vaccinatie voor de koeien, die op dat moment geen melk gaven. De Hoge Raad had dan ook geen moeite met deze overtreding. Volgens Ellians definitie is deze illegale, buitenparlementaire handeling per definitie gewelddadig.