Borst en de autoriteitsdrogreden

Onlangs meldde het KWF dat borstzelfonderzoek niet meer nodig is. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat zelfonderzoek niet helpt. Borstkanker wordt namelijk gekenmerkt door tumorcellen, die vroeg uitzaaien. Met röntgenapparatuur zie je die tumor wel, maar met zelfonderzoek voel je die tumoren niet. Ze zijn domweg te klein.
NRC-columnist Piet Borst zet in het NRC (21.9.08) wat vraagtekens bij dat onderzoek. Maar toch neemt hij aan dat de geleerden gelijk hebben. Daar gaat deze emeritus hoogleraar altijd vanuit.
Analyse. Geleerden hebben altijd gelijk. Dat is, lijkt me, een autoriteitsdrogreden. Het is redelijk om te vooronderstellen dat geleerden doorgaans gelijk hebben. Maar hebben geleerden altijd gelijk?
Daar is wel het een en ander op af te dingen.
Neem de zaak-Hill. Henry Hill was als fysicus aan de University of Arizona in Tuscon verbonden en verrichtte in 1975 enkele metingen, waaruit zou blijken dat er zoiets als zonnetrillingen zouden bestaan. Er ontspon zich een felle discussie. Drie jaar na Hills rapportage probeerde een aantal fysici deze trillingen met uiteenlopende technieken waar te nemen, maar ze vonden echter niets op de frequenties die Hill had gemeld. Hills onderzoeksmethode zou eenvoudigweg niet deugen.
Frappant is echter het vervolg op deze discussie.
In 1976 beweerde de natuurkundige Robert Dicke dat uit zijn waarnemingen bleek dat de zon afgeplat was. Op basis hiervan ontwikkelde hij een theorie, die daarmee een grote bedreiging van Einsteins relativiteitstheorie werd. Zoals te verwachten was, ontstond er een heftige discussie onder natuurkundigen over Dickes verklaring. In de jaren zeventig verschenen er maar liefst achttien belangrijke theoretische artikelen die Dickes bewering bestreden. In één van die artikelen werd de bewering van Dicke niet theoretisch, maar door middel van een experiment weerlegd. Dit experiment, waaruit Dickes ongelijk bleek, was opgezet en uitgevoerd door Hill, die eerder beweerd had zonnetrillingen te hebben geobserveerd.
Dankzij het experiment van Hill kwam er een einde aan de discussie tussen Dicke en zijn critici. Voor de wetenschappelijke gemeenschap was het duidelijk dat Dicke ongelijk had en dat Einsteins theorie grotendeels correct was. Het merkwaardige aan deze gang van zaken is dat Hill vrijwel exact dezelfde techniek gebruikt had als in het geval van zijn onderzoek naar zonnetrillingen. Toen werd er zoveel kritiek geleverd op deze techniek, dat zijn meetresultaten uiteindelijk niet geaccepteerd werden. De betrokken fysici waren op de hoogte van deze zwakke plekken van Hills metingen, maar gingen er verder niet op in. Kennelijk was het belang om Einsteins gevestigde theorie te behouden groot genoeg om bevindingen die in een ander verband met scepsis begroet werden, een grote overtuigingskracht toe te kennen. De theorie van Dicke werd verworpen op basis van Hills metingen en dat is volgens sommigen een helder voorbeeld van de wijze waarop door het gebruik van retorische middelen binnen de wetenschappelijke gemeenschap consensus tot stand komt.
Toch zou je kunnen beargumenteren dat redacteuren van goed aangeschreven wetenschappelijke tijdschriften er borg voor staan dat alleen wetenschappelijk verantwoorde artikelen in drukvorm verschijnen. De tijd van redacteuren van het kaliber van John Maynard Keynes, een briljante econoom, ligt ver achter ons. Hij had als hoofdredacteur van het toonaangevende Economic Journal de onhebbelijkheid om referenten die een oordeel moesten geven over een boek, van tevoren al duidelijk te maken wat deze van het boek moesten vinden. Soms ontvingen ze van Keynes al een standaardbrief waarin het boek op voorhand al verworpen werd. Uiteraard leende niet elke referent zich daarvoor, maar dat was voor Keynes geen probleem. Hij zocht dan eenvoudigweg een wat meegaander referent.
Het is wat naïef om de beoordeling door vakgenoten al te enthousiast te omarmen. Enkele jaren geleden stuurde een psycholoog een tiental artikelen in die reeds eerder in hetzelfde tijdschrift waren verschenen. Slechts de naam van de auteurs - die allen zeer bekend waren - en het instituut waar ze werkten, veranderde hij. In drie van de tien gevallen ontdekte de redactie de fraude. De resterende artikelen werden door de redactie geweigerd wegens gebrek aan kwaliteit. Saillant detail is dat de artikelen soms voorzien werden van zeer vernietigende kritiek.
Een soortgelijk voorval deed zich in 1996 voor. In Social Text, een Amerikaans tijdschrift op het gebied van ‘cultural studies’, verscheen een artikel met als titel: ‘Transgressing the Boundaries: Towards a Transformative Hermeneutics of Quantum Gravity’. De auteur was de 41-jarige fysicus Sokal. Daags na het verschijnen van het artikel, maakte hij bekend dat het om een nepartikel ging. Doorspekt van wollig sociologisch en trendy jargon werd een gewichtige postmoderne analyse van de natuurwetenschappen gegeven, maar elke eerstejaars natuurkunde zou de inhoud van een dergelijk artikel meteen als onzinnig ontmaskeren. De redacteuren van het blad doorzagen het kennelijk niet.
Er zijn nogal wat natuurkundigen die dit voorval zien als een demasqué van de wetenschapssociologie. In elk geval zit er wat oud zeer. De boodschap van deze sociologen is tegen het zere been van menig natuurwetenschapper. Eén van hen, Nauenberg, hoogleraar theoretische fysica aan de University of California, drukte het in een interview in het NRC als volgt uit: ”De ideeën van de wetenschapssociologen zijn in de regel te herleiden op die van Franse denkers als Foucault, Lacan, Derrida en Latour - zonder dat ze zich van de beperkingen, reikwijdte en wederzijdse verbintenissen bewust zijn. Praten helpt niet, daarvoor zijn ze (die sociologen, RR.) te arrogant. Wat eerst op de literatuurkritiek werd losgelaten, krijgt nu een natuurwetenschappelijke toepassing. Alles is relatief, wij natuurwetenschappers onderzoeken geen objectieve, externe werkelijkheid maar construeren deze met feiten die via onderhandelen tot stand komen. De ene eeuw de ene werkelijkheid, de volgende weer een andere. Heel dogmatisch en als je ze vraagt hoe het toch komt dat wetenschap werkt, dat het technologie oplevert, staan ze met hun mond vol tanden.” Over de bedrijvers van cultural studies heeft Nauenberg geen goed woord over:
“Hoe kun je iets bestuderen waar je met je pet niet bij kunt. Hun kennis van quantummechanica is bedroevend, maar dat weerhoudt ze er niet van in hun artikelen op postmoderne wijze te schermen met modebegrippen als relativiteit, golfdeeltjedualisme en indeterminisme. De onzekerheidsrelatie van Heisenberg - dol zijn ze erop.”
De postmoderne sociologen zijn in elk geval niet onder de indruk van deze persoonlijke aanvallen. Eén van hen, Andrew Pickering, schreef onomwonden: “Aangezien ze uitgebreid getraind zijn in het gebruik van subtiele mathematische technieken is het overwicht van wiskunde in de natuurkundige beschrijving van de werkelijkheid niet moeilijker te verklaren dan de voorkeur van primitieve volkeren voor hun oorspronkelijke taal.”
Feit blijft dat ook ‘peer’-beoordelingen niet altijd een garantie bieden voor kwaliteit of het gebrek daaraan. Dat laatste kwam aardig naar voren in een boek van George Sherperd, die verbonden is aan de economische faculteit van Stanford University. Hij beschreef de carrière van 120 topeconomen, waaronder ook alle levende Nobelprijswinnaars. Vooral in hun beginjaren hadden de (achteraf gezien kennelijk briljante) economen het moeilijk. Zo mocht de latere Nobelprijswinnaar Harry Markowitz van Milton Friedman, een andere Nobelprijswinnaar voor economie, in eerste instantie niet promoveren, omdat de laatste meende dat Markowitz’ proefschrift niets met economie te maken had.
Waarover hebben geleerden dan altijd gelijk? De bewering dat water bij nul graden Celsius bevriest? Dat is een hard en vooral zichtbaar feit (een bakje water, een thermometer erbij en gewoon even kijken wat er gebeurt als het kwik op nul staat). Sommige filosofen willen zelfs dat bestrijden: dat water bij nul graden bevriest, is enkel een kwestie van afspraak.
Dat is minder bizar dan het op het eerste gezicht lijkt. Want wat zijn eigenlijk deze zogenaamde wetenschappelijke feiten? Critici als de Franse wetenschapssocioloog Bruno Latour, die niets moeten hebben van de pretentie dat wetenschap objectieve kennis oplevert, zijn van mening dat er geen vaste, onbuigzame regels bestaan op basis waarvan wetenschappers objectief feiten kunnen verwerpen of accepteren. Wetenschappelijke feiten hebben slechts een schijnobjectiviteit. Wat betekent dit precies?
Het accepteren of verwerpen van feiten is voornamelijk een kwestie van onderhandelen. Dit onderhandelingsproces verloopt als volgt: eerst vergewist de wetenschapper zich ervan, dat de gegevens hem zinnen. Daarna probeert hij zijn collega’s te overtuigen. Wat wij een wetenschappelijk feit noemen, is het uiteindelijke resultaat van een onderhandelingsproces: zo’n feit is een sociale constructie.
Is een feit eenmaal als wetenschappelijk geaccepteerd, dan wordt het kunstmatige karakter min of meer verdoezeld. Het lijkt er dan net op alsof we het maar in de werkelijkheid hoefden te ontdekken. Het feit lag er als het ware voor het oprapen. Zoals gezegd, men vergeet dan dat het feit het resultaat is van een sociaal onderhandelingsproces.
Laten we nog eens kijken naar het bevriezen van water. Niemand zal willen betwisten dat water bij nul graden Celsius verandert in ijs (een kniesoor die valt over het woord ‘veranderen’). Maar hoe meten we de temperatuur
van het ijs? Met een thermometer en die meter is afkomstig uit het wetenschappelijk laboratorium. We gaan dus niet naar buiten om de werkelijkheid objectief te onderzoeken, maar we breiden het laboratorium eenvoudigweg uit. Het is dus niet zozeer een feit dat wetenschappers waarnemen, maar een feit construeren. Een ander voorbeeld is het begrip nachtvorst. Als er nachtvorst voorspeld wordt, dan wordt daar enkel mee bedoeld dat een door mensen geconstrueerd instrument (thermometer) een aantal centimeters boven de grond een bepaalde waarde aangeeft, namelijk 0 graden. En dan is er sprake van nachtvorst. Het is dus een afspraak (namelijk x centimeters boven de grond geeft een meetinstrument nul graden of minder aan) wanneer we spreken van nachtvorst.
Kortom, enige reserves zijn vereist. Het 'altijd gelijk' van de geleeerden van Borst lijkt me een slip of the typewriter.

© 2008 R.G.M. Ritzen