Tavecchio en de persoonlijke aanval

© 2005 R.G.M. Ritzen - Een niet-crècher in Central Park
Een kind kan agressief worden van de crèche, meent ontwikkelingspsycholoog Jay Belsky. Al jaren beweert hij dat kinderen die vanaf hun vroege babytijd veel op crèches gezeten hebben, op latere leeftijd gedragsproblemen vertonen. Ze zijn ongehoorzamer, opstandiger en vertonen meer conflictgedrag vergeleken met kinderen die niet of nauwelijks naar de crèche zijn geweest. Maar dat is niet het enige, want de crèche blijkt ook nog eens besmettelijk te zijn. Want als kinderen met weinig crèche-ervaring in aanraking komen met kinderen die langdurig op crèches hebben gezeten, worden ook de niet-crèchers agressiever en ongehoorzamer. Die effecten zie je op school. Die besmetting gaat zo ver, dat het verschil tussen crèchekinderen en de niet-crèchers op den duur bijna helemaal verdwijnt.
Maar Belsky kan het nog niet bewijzen, zo blijkt uit het interview in het NRC (13.9.08). Louis Tavecchio, hoogleraar pedagogische aspecten en kwaliteit van kinderopvang, meent dat Belsky “bevooroordeeld” is: “Ziet Belsky kinderopvang als een soort hoofdluis waarmee je besmet kunt raken?”
“Pure speculatie”, stelt prof. Koot, hoogleraar ontwikkelingspsychologie en ontwikkelingspsychopathologie.
Analyse. Belsky kan het nog niet bewijzen, geeft hij zelf toe. Dan heeft Koot wel een punt met z’n oordeel ‘speculatief’. Tavecchio maakt zich echter schuldig aan een persoonlijke aanval als hij Belsky bevooroordeeld noemt. Hij bekritiseert niet het idee van Belsky, maar de persoon van Belsky.
Terzijde. Even een voetnoot bij de kritiek van Tavecchio. De kwalificatie ‘bevooroordeeld’ is eerlijk gezocht ook weer niet ver gezocht. Maar die kwalificatie geldt dan wel voor alle opvoedingsadviezen van deskundige pedagogen. Als het om opvoedingsadviezen gaat, heeft de pedagogiek - volgens sommigen toch een beetje de Catherina Keijl onder de wetenschappen - eigenlijk altijd al een dubieuze reputatie gehad. Zo meende August Hermann Francke, een zeventiende-eeuwse Duitse pedagoog, dat eerst de wil van het kind gebroken moest worden, wilde men een kind opvoeden. Rond diezelfde tijd adviseerden pedagogen ouders hun kinderen geen warm en zacht bed te geven: het was het graf der onschuld. Het beste was dat een kind doodmoe naar bed ging en er weer uit moest voordat het volledig uitgerust was, zodat er geen tijd was voor onzedelijke praktijken. Het zedelijk bederf loerde immers in elke hoek van de slaapkamer.
De adviezen van hedendaagse pedagogen zijn op een andere wijze dubieus. Een opvallend voorbeeld is de wijze waarop onderzoek naar moeder-kind-verhoudingen meehobbelt met de maatschappelijke acceptatie van werkende moeders. In de jaren zestig gold het adagium van de psycholoog Bowlby: kinderen dienen tot hun vijfde jaar enkel door hun moeder te worden opgevoed. Toen in de jaren zeventig het maatschappelijk wenselijk was dat ook moeders gingen werken, bleek ineens uit onderzoek dat kinderen zich moeiteloos aan meerdere personen - lees: oppas - kunnen hechten, zonder dat dit hun ontwikkeling zou schaden. De opmars van kindercrèches ging in de jaren negentig gepaard met onderzoek waaruit bleek dat crèche-kindertjes een voorsprong houden op thuisopgevoede kinderen. Bovendien bleken dochtertjes van werkende moeders ook nog slimmer te worden; de jongetjes werden een beetje dommer.
Ook hedendaagse opvoedingsadviezen leveren volop frustraties op. Zo kregen we bij de geboorte van ons eerste kind het toen razend populaire ‘Oei, ik groei’-boek cadeau. (Dat was voor de knetterende ruzies in de vakgroep.) Ouders, zoals wij, konden dan keurig met de ontwikkeling van hun zoontje of dochtertje meebladeren, want in dat boek wordt de ontwikkeling van kinderen nauwgezet beschreven. De eerste drie maanden voldeed ons zoontje keurig aan het ‘oei, ik groei’-schema, maar daarna ging het desastreus mis. De ontwikkeling van ons kind kwam niet overeen met de superbaby die in het boek model stond, hoe wij ook met rammelaartjes en educatief piepende konijnen zwaaiden. Datzelfde gold ook voor het minder populaire boek ‘Wat kan mijn kind?’. Die titel is eigenlijk wat misleidend, want bij lezing krijg je voornamelijk antwoord op de vraag ‘wat kan mijn kind nog steeds niet?’
Wie bij andere ouders met jonge kinderen navraag deed en doet over de ontwikkeling van hun Jan-Jaapje, krijgt steevast de indruk dat de wereld louter uit kleine wonderkinderen bestaat. Zelfs de prestatie van Jean-Paul Sartre, die zich-zelf op driejarige leeftijd leerde lezen, steekt bij deze kinderen schril af. Maar één blik op al die wonder Jan-Jaapjes stelde keer op keer gerust, want in mijn bijzijn worden de wonderbaarlijke kunstjes nauwelijks opgevoerd. Waar ouders diepgaande volzinnen van hun zoontje zeiden te reciteren, bleek het ventje zelf vaak niet verder te komen dan wat onsamenhangend gebrabbel op een niveau dat een even oude ‘oei, ik groei’-peuter volgens schema ongeveer vijf maanden eerder bereikt heeft.
Vertwijfelde ouders konden zich in de jaren negentig ook op ‘Leer uw kind luisteren zonder schreeuwen of slaan’ storten. Elke bron van ouderlijke razernij wordt in een fors tempo behandeld. Gedragsproblemen van peuters en kleuters worden volgens een aardig stramien behandeld: hoe kun je het probleem voorkomen, wat moet je doen en wat vooral niet. Uitgangspunt is dat slaan en schreeuwen (de burgerlijke variant van slaan, maar dan verbaal) uit den boze is. Niet het kind moet geprezen of bekritiseerd worden, maar zijn gedrag. De machtsstrijd die ouders over bijvoorbeeld het eten met hun kinderen aangaan, is immers bij voorbaat al verloren. Door de ouders wel te verstaan. Een maaltijd naar binnen schreeuwen - het recept van enkele vertwijfelde ouders - levert slechts een kortstondig succesje op.
Kinderen worden in dit boek niet afgeschilderd als superengelen; ze zijn nieuwsgierig en hebben in principe een positief zelfbeeld, maar ze kunnen ook af en toe ongelooflijk zeuren of knoeien met eten. Op gezette tijden zijn ze hebberig en agressief. Dat lijkt me een realistisch beeld. Alleen stellen de auteurs van ‘Leer uw kind luisteren’ daar nu vijf-sterren-ouders tegenover. Het gros van hun adviezen komt erop neer dat als de stoom werkelijk uit je oren en neusgaten spuit, je vervolgens volstrekt redelijk dient te blijven. Diep in zijn hart weet elke ouder dat natuurlijk ook wel, maar het vervelende is dat ook ouders zo ontzettend menselijk zijn, en dus af en toe ongelooflijk zeuren, schelden en op gezette tijden ook hebberig en agressief zijn.
Sommige pedagogen hebben, hoe merkwaardig dat ook klinkt, een ware aversie tegen alles wat naar opvoeding riekt. Zo riep de anti-pedagoge Alice Miller al jarenlang op om niet meer op te voeden. Zij ziet in elke blik die een ouder op zijn kind werpt, al een vorm van grove kindermishandeling. Dat zij haar opvatting nauwelijks met enige argumenten onderbouwt, schijnt haar populariteit onder pedagogen niet te schaden.
Antipedagogen zijn wars van opvoeding. Ouders dienen in hun ogen geen opvoedingsrelatie met hun kinderen te hebben, maar een vriendschapsrelatie. Onduidelijk blijft daarbij wat je als ouder met zo'n boodschap moet doen. Een vriendschap kun je na een aantal knetterende ruzies altijd nog opzeggen, maar wat doe je met een vierjarige kleuter?
In de jaren negentig heeft een heuse universitaire pedagoog uit het Groningse, Vos, ouders gerustgesteld. Opvoeden is eigenlijk vrij eenvoudig, de mensheid doet het immers al honderden jaren succesvol. Daarom moeten ouders de opvoedingsdrift van professionals negeren en niet naar hun adviezen luisteren. Ouders, zo meent de orthopedagoog Vos, worden dankzij dit soort adviezen onzekerder over het opvoeden van hun kinderen. Zij denken dat opvoeden specialistische wetenschappelijke kennis vereist, waar slechts professionals over beschikken. De honderden pedagogen die jaarlijks de arbeidsmarkt overspoelen, bezweren ouders alert te zijn op elk ontwikkelingsstapje van hun kinderen en daar op de juiste wijze op in te spelen.
Vos moet daar niets van hebben. De bemoeienis van de academische pedagogen heeft geleid tot allerlei gekunstelde opvoedingsmethoden, waardoor het opvoeden van kinderen meer een soort psychologisch en medisch begeleiden is geworden, waarvan groepstherapie, Freudiaanse kinderanalyses en Rogeriaanse gesprekstechnieken in meer of mindere mate deel uitmaken. Maar een aai over de bol, het goede voorbeeld van de ouders en een klein complimentje op z'n tijd zijn veel effectiever dan al deze methoden, meent de Groningse pedagoog. Vos vindt dat als gevolg van de pedagogische bemoeienis van deskundigen met de opvoeding ouders niet alleen onzeker worden, maar steeds vaker ten onrechte menen dat er iets met hun kind mis is. Zodra kinderen afwijken van het gemiddelde, wordt hun gedrag aangeduid als probleemgedrag. Maar een eigenschap van het gemiddelde is dat iedereen ervan afwijkt. (De filosoof Bertrand Russell zei dit al eerder over de typische Engelsman: die bestaat niet, want als iemand werkelijk alle eigenschappen van de typische Engelsman bezat, was hij daardoor zo bijzonder dat hij onmogelijk als typisch Engels kon doorgaan.)
Een lid van een VTO-team (vroegtijdige opsporing van ontwikkelingsproblemen) bevestigde het verhaal van Vos. Hij stelde dat met vijfenzestig procent van de kinderen die volgens ouders problemen hadden, absoluut niets aan de hand is. Deze kinderen worden niet gescreend omdat ze problemen hebben, maar omdat hun ouders onzeker zijn.
Ook hier zien we de tragedie van de kennis. Weliswaar is er veel meer kennis over opvoedingstactieken en strategieën dan vroeger, maar juist die overstelpende hoeveelheid kennis leidt tot onzekerheid bij de ouders die geacht worden nuttig gebruik te kunnen maken van de opvoedingsadviezen die voortvloeien uit de kennis.
De ironie van Vos’ verhaal is dat zijn kritiek op de pedagogen ook op hemzelf terugslaat. Zijn eigen bemoeizucht heeft deze pedagoog kennelijk maar moeilijk onder controle, want ook hij schroomt niet vervolgens een heel arsenaal van deskundige adviezen over de hoofden van ouders uit te strooien. Ook hij komt met een theorie over opvoeding, zodat de gemeenschap van onzekere opvoeders wordt verrijkt met de zoveelste opvoedingstheorie.
Vos krijgt later bijval van de Britse socioloog Frank Furedi die in Paranoid Parenting (2001) de opvoedingsexperts bekritiseerde. De pedagogen, ontwikkleingspsychologen, medici en andere experts ondermijnen met adviezen het zelfvertrouwen van ouders, temeer omdat die adviezen elkaar voortdurend tegenspreken. Ook Ger Snik, momenteel de interessantste wijsgerig-pedagoog in Nederland, beaamt dat laatste punt.
(Eigenlijk is dat pure ironie. De interessantste wijsgerig-pedagoog werkt in België. De universitaire pedagogiek in Nederland is namelijk een verhaal apart. Dankzij platte bezuinigingen is de hele Nederlandse wijsgerige pedagogiek één klap van alle univerisiteiten weggevaagd. Achteraf blijkt de Nijmeegse sectie 'wijsgerige pedagogiek' onder leiding van de erudiete hoogleraar Wouter van Haaften ondanks het buitengewoon interessante onderzoeksprogramma voornamelijk een toeleverancier van hoogleraren te zijn geweest: Ger Snik werd hoogleraar in Gent; Jos de Mul werd hoogleraar en decaan van de filosofiefaculteit van Rotterdam; Michiel Korthals werd hoogleraar in Wageningen; Guy Widdershoven werd hoogleraar in Maastricht; en Evelien Tonkens werd behalve hoogleraar ook kamerlid en columnist in de Volkskrant. De boekhouders van de Nijmeegse universiteit hebben daar in elk geval nooit een boodschap aan gehad. In hun spreadsheets paste de vage parameter 'hoogwaardige kwaliteit' niet. Ook het turven van wetenschappelijke publicaties leverde kennelijk te veel werk op en in elk geval géén grond om te bezuinigen. Liever ging men aan de slag met harde criteria als het aantal studentenhoofden.)
Terug naar Vos, Furedi en Snik. Zij hebben een punt. Een aantal ouderlijke bemoeienissen is overbodig. Wat bijvoorbeeld te denken van het aanleren van taal. In sommige Afrikaanse culturen spreken ouders niet met hun kinderen die jonger zijn dan drie jaar. Hun kinderen, zo menen deze ouders, kunnen immers toch niet praten. Voor hun taalontwikkeling maakt het echter niets uit. Kinderen hebben een aangeboren taalvermogen, dat niet door hun ouders aangeleerd hoeft te worden, meent de taalkundige Steven Pinker. Deze kinderen leren net zo goed spreken als westerse kinderen die door hun ouders achterna gezeten worden met allerlei educatieve boekjes. (Overigens meent men in die Afrikaanse culturen dat je kinderen moet leren te staan. Daarom worden heel jonge kinderen regelmatig in het zand ingegraven om het staan te oefenen.)
Frappant is ook de wijze waarop dove kinderen zelfstandig een feilloze grammatica ontwikkelen die ten grondslag ligt aan hun gebarentaal. Aangezien 95% van de dove kinderen horende ouders heeft, hebben deze kinderen die grammatica dus niet van hun ouders kunnen leren. Dat ze die toch ontwikkelen, heeft volgens Chomsky en zijn adepten te maken met een aangeboren taalin-stinct. Ook ander onderzoek lijkt het beeld te bevestigen dat kinderen een aangeboren taalinstinct hebben. Toen (met name Nederlandse) handelaren slaven van Afrika naar Noord-Amerika vervoerden, werden de slaven uit de diverse stammen bij elkaar gezet. De onderlinge communicatie tussen hen was buitengewoon moeilijk, omdat iedere stam zijn eigen taal had. Het idee hierachter was dat opstanden niet gemakkelijk georganiseerd konden worden. Toch bleken kinderen van die slaven langzaam een eigen taal te ontwikkelen met een eigen consequent toegepaste grammatica. Pinker verklaart dit fenomeen door erop te wijzen dat mensen een taalinstinct hebben, waarin een taalstructuur als het ware is ingebakken.
Terug naar de pedagogische bemoeienis. Als Chomsky inderdaad gelijk heeft met zijn opvatting dat kinderen een aangeboren taalvermogen hebben, dan krijgt de pedagogische bemoeienis van deskundigen een wrange bijsmaak.
Wat bijvoorbeeld te denken van de negatieve waardering voor dialecten? Bestudering van het pidgin, een ‘slang’ dat gesproken wordt door de donkere Amerikaanse jeugd, laat zien dat de grammatica van deze taal in sommige gevallen adequater is dan die van het reguliere Engels. Zo wordt er in het pigeon een onderscheid gemaakt tussen ‘he be working’ en ‘he working’. Beide zijn volgens de officiële Engelse grammatica weliswaar incorrect, maar hierdoor kan er in het pigeon een verschil in betekenis worden uitgedrukt dat in het Engels niet voorhanden is. ‘He be working’ wil zeggen dat iemand naar zijn werk is; ‘he working’ betekent dat iemand aan het werk is. In het Engels kan men met ‘he is working’ niet zo’n onderscheid maken.
Het probleem waar praktisch georiënteerde pedagogen voortdurend tegen aanlopen, is dat de theorie niet zonder meer te vertalen is in praktisch handelen. De slogan van de (toen nog) Groningse pedagoog Imelman - niets is zo praktisch als een theorie - mag dan wel aardig klinken, maar ze deugt niet. Het probleem is nu juist dat theorieën helemaal niet zo praktisch zijn in die zin dat ze als uitgangspunt kunnen dienen om ons handelen te ondersteunen.
Het probleem is dat wetenschap niet zomaar in een praktijkadvies vertaald kan worden, of het nu om opvoedingsadviezen of om beleid gaat. Het onvermogen om zo'n vertaalslag te maken, komt voort uit het gegeven dat dé wetenschap niet bestaat. Er zijn verschillende perspectieven die ieder op zich kunnen leiden tot tegenstrijdige adviezen.
De moeizame relatie tussen theorie en praktijk is te wijten aan het onzekerheidskarakter van kennis. Onzekerheid komt tot uitdrukking in het gegeven dat ondanks de toename van detail- en microkennis bepaalde vragen altijd onbeantwoord blijven. De filosoof Vom Schomberg (UvT)meent dat er nooit één enkel perspectief kan zijn waarin alle vragen beantwoord worden. Elk perspectief is in zekere zin eenzijdig en kan nooit volledig zijn. Door de onvermijdelijke eenzijdigheid van dergelijke perspectieven verliest de kennis haar functionele autoriteit; een ander perspectief kan immers tot een andere toepassing leiden.

© 2008 R.G.M. Ritzen