Jacobs en de inconsistentie

Het komt niet vaak voor dat economen op televisie van gedachten wisselen over de grondslagen van hun wetenschap. De discussie tussen de economen Arjo Klamer en Bas Jacobs in het Buitenhof (19.10.08) was dan ook een (voor mij aangename) verrassing.
Bas Jacobs, hoogleraar economie en overheidsfinanciën, is een voorstander van de harde economische wetenschappen. “Wat de drijfveren van mensen zijn, is voer voor psychologen en filosofen en dat soort zaken.” (Waarschijnlijk bedoelde hij vakken.)
Klamer, hoogleraar culturele economie, opteert voor een ander accent. Hij wijst op het belang van een kader van deugden. Dat is iets waar economen als Jacobs (te) weinig oog voor hebben. In dit verband wijst Klamer op het feit dat studenten in toenemende mate gericht zijn op materiële zaken, over geld. Geld is het doel van de studie. Het kader van deugden zijn we sinds de jaren tachtig kwijtgeraakt. Dat kader vindt men wel in de opvatting van Adam Smith en – om een recenter voorbeeld te nemen – in de opvattingen van Deirdre McCloskey. Door de crisis zie je de aandacht voor deugden ook weer terug bij managers, die zich schamen voor de huidige prakktijken. (Ok, de samenvatting is wel erg kort door de bocht, maar het geeft een indruk.)
Analyse.
Inconsistentie. Hoewel Jacobs opteerte (en opteert) voor een waardevrije wetenschappelijke beoefening van de economie, deed hij een in zijn betoog een aantal normatieve uitspraken:

“….er is een legitieme rol van de overheid om dat (marktfalen, RR) te corrigeren...”

“…de overheid heeft heel veel dingen niet goed gedaan…”

“…of de markt iets beter kan dan de overheid…

“…je moet het van geval tot geval bekijken of het ene kwaad erger is dan het andere...”

De kwalificaties ‘legitiem’, ‘goed’, ‘beter’ en ‘erger’ kun je alleen beoordelen als je een normatieve maatstaf hebt. Maar dit is iets waar Jacobs nu juist niet aan wil.
Die inconsistentie is geen slip of the tongue. In zijn boek ‘De prijs van gelijkheid’ (Amsterdam 2008) schrijft hij dat “kapitaalinkomen moet worden belast, maar niet hoofdzakelijk om rechtvaardigheidsredenen” (p. 154). Niet hoofdzakelijk impliceert dat rechtvaardigheidsredenen wel degelijk een rol spelen in zijn betoog. Op p. 150 schrijft hij: “Toch kunnen aanzienlijke subsidies wel maatschappelijk gewenst zijn, als het onderwijsbeleid wordt bezien in combinatie met maatregelen die gericht zijn op inkomensverdeling.” Ook hier zijn we een normatieve stellingname.

Vertekening van een standpunt. Verder vertekende Jacobs het standpunt van Klamer een aantal keren:
“…hoe zorg je dat waarden die kennelijk verkeerd zijn, in de hoofden van mensen terechtkomen…” Terecht merkte Klamer op dat je dat als econoom kan bestuderen.

“…je kan niet zomaar vanuit de economische wetenschap waardensystemen proberen te veranderen…” Ook hierover merkte Klamer op dat je dat kunt bestuderen. Je ziet verschuivingen in de alledaagse werkelijkheid.

“…economen moeten ze geen zedenpredikers moeten zijn…” Klamer hield in deze uitzending nergens een pleidooi om mensen te vertellen wat goed en verkeerd is. Jacobs schetste een karikatuur van het standpunt van Klamer.

“Dat is te vaag” was de dooddoener waarmee Jacobs de discussie afsloot. Maar die kwalificatie komt uitsluitend voor zijn rekening.
Zie ook: Arnold Heertje ; meer algemeen mijn bijdrage 'De taal van de Nederlandse intellectuelen' in: Filosofie 18 (5), pp. 47-51

© 2008 R.G.M. Ritzen